Juist Angela Merkel moet pal staan voor het vrije woord

De persvrijheid gaat Europa geld kosten, voorziet Gideon Rachman.

Illustratie Rainer Hachfeld

De omgang van de pers met politieke leiders markeert een essentiële scheidslijn tussen vrije en autoritaire landen. In een autoritaire staat eisen en ontvangen presidenten en premiers een eerbiedige behandeling. In democratische landen weten de politieke leiders dat ze voorwerp van satire – en hatelijke en soms oneerlijke kritiek – zullen zijn.

De zaak van de Duitse satiricus Jan Böhmermann vormt een poging om autoritaire praktijken naar het democratische Westen te exporteren. Afgelopen week verklaarde de Duitse regering dat ze de vervolging van Böhmermann zal toestaan wegens belediging van de Turkse president Recep Tayyip Erdogan.

Deze hele zaak kan natuurlijk als een eenmalige rariteit worden beschouwd; een gevolg van de botsing van een archaïsche Duitse wet tegen de belediging van buitenlandse leiders met een lichtgeraakte Turkse leider en een regering in Berlijn die juist nu behoefte heeft aan samenwerking met Turkije in de migrantencrisis.

Maar in werkelijkheid is de zaak Böhmermann eerder een voorbode van wat nog komen gaat dan een incident – en daarom heeft de Duitse bondskanselier Angela Merkel een vergissing begaan door vervolging van Böhmermann toe te staan.

De tijd is voorbij dat de Europese regeringen rijk, machtig en trots genoeg waren om dreigementen van landen als Turkije, Saoedi-Arabië, Rusland of China eenvoudig weg te wuiven. De economische en politieke macht van Europa neemt relatief af. Daardoor zijn de EU-landen kwetsbaarder voor druk van buitenlandse leiders om de Europese media in toom te houden. Of anders de economische en strategische gevolgen te aanvaarden.

De dreiging van internationale incidenten door toedoen van de westerse media wordt versterkt door het internet, waardoor een artikel dat ergens verschijnt meteen aan de andere kant van de wereld te lezen is. De Turkse regering heeft al meer dan 1.800 zaken wegens belediging van president Erdogan tegen Turken aangespannen. Maar Erdogan zou liefst ook zijn buitenlandse critici intimideren en bestraffen.

Als de Europeanen denken dat Turkije zich alleen maar door de vluchtelingencrisis in een machtige positie bevindt, moeten ze eens stilstaan bij de mogelijke invloed van China, dat in heel Europa regeringen paait met beloften van handel en investeringen.

Sinds president Xi Jinping aan de macht kwam, zijn tientallen Chinese journalisten gevangengezet. De laatste tijd richt Peking zich ook op kritische schrijvers en journalisten in de rest van de wereld; soms door de arrestatie van familieleden die in China wonen. Ook westerse kranten hebben kennisgemaakt met hardhandig ingrijpen van Chinese functionarissen die zich stoorden aan artikelen over uiteenlopende onderwerpen, van Tibet tot ambtelijke corruptie. Naarmate de economische invloed van China groeit, zal ook zijn macht toenemen om direct en indirect druk op de westerse media uit te oefenen.

Een ondermijning van het westerse vermogen om de persvrijheid te beschermen dreigt niet alleen door economische druk, maar ook door de politieke ontwikkelingen en morele verwarring binnen Europa. De onafhankelijkheid van de media is al ernstig beknot in Hongarije, waar leider Viktor Orbán een bewonderaar van het Aziatische autoritarisme is.

Bij de uitreiking van de Europese persprijzen, vorige week in Praag, toonden journalisten uit Polen, Slowakije en Tsjechië zich bezorgd over de bedreiging van de persvrijheid in hun eigen land, waarbij ze wezen op een mengeling van overheidsdruk en de aankoop van kranten door oligarchen.

Na de moordzuchtige aanslag op het weekblad Charlie Hebdo in Parijs, denken tal van redacteuren uit angst voor gewelddadig jihadisme ongetwijfeld twee keer na over het soort materiaal dat ze publiceren. Intussen ondervindt de persvrijheid ook de gevolgen van de verraderlijke druk op universiteiten in Groot-Brittannië en elders om ‘veilige ruimten’ in te richten waar de studenten worden beschermd tegen opvattingen die ze kwetsend vinden. Tegen het soort schunnige retoriek van mensen als Böhmermann zou ongetwijfeld geen enkele ‘veilige ruimte’ bestand zijn.

In Duitsland en elders is hier en daar te horen dat Böhmermanns satirische aantijging dat Erdogan van kinderporno houdt inderdaad onaanvaardbaar is, zoals het ook taboe zou zijn om racistische scheldwoorden tegen Barack Obama te gebruiken. Het is waar dat de persvrijheid nooit absoluut is, ook niet in Europa. Als kritiek op een politieke leider overgaat in regelrechte leugens, kunnen politici altijd een aanklacht wegens smaad indienen, een mogelijkheid die in Duitsland ook voor Erdogan open staat. Maar het is onaanvaardbaar dat leiders een bijzonder soort wettelijke bescherming genieten die voor gewone burgers niet beschikbaar is.

Ook de meeste Europese landen beschouwen racistische uitspraken als taboe en in extreme gevallen reden tot vervolging. Maar er is een wezenlijk verschil tussen de aanval op een persoon of groep om wie ze zijn en kritiek of satire op bepaalde opvattingen of overtuigingen. Het is onaanvaardbaar om iemand simpelweg aan te vallen omdat hij moslim of jood of homo is. Maar het recht tot kritiek op godsdienstige of politieke opvattingen dient te worden beschermd, ook al zullen sommigen zich daar onvermijdelijk aan storen.

De komende jaren zal de bescherming van de persvrijheid de Europeanen vermoedelijk contracten en geld gaan kosten. Het zal tot diplomatieke hoofdpijn leiden en soms ook gevaarlijk zijn. Als de Europeanen buigen en met fundamentele vrijheden marchanderen, levert dit misschien geld en een rustig leven op, maar uiteindelijk zullen ze hun zelfrespect en ook het respect van de wereld verliezen.