‘Het bbp poets je niet even weg’

Ook zaken als gezondheidzorg, onderwijs en luchtkwaliteit moeten meetellen bij bepalen welvaart, vindt Kamercommissie.

Rik Grashoff moet er even over nadenken. Wie, zo luidde de vraag, deed de volgende oproep? „We moeten breken met onze fixatie op het bbp en het daaraan gekoppelde idee van economische groei.”

„Dat kunnen zovéél mensen hebben gezegd”, zegt Grashoff, Tweede Kamerlid voor GroenLinks. „Het komt mij voor als de bekende kritiek uit de linkerhoek.” Het citaat is afkomstig uit het vorig jaar verschenen boek van Jesse Klaver, Grashoffs fractievoorzitter en politiek leider, over economisme.

Foto NRC / David van Dam

Foto NRC / David van Dam

Kritiek op het bruto binnenlands product (bbp) bestaat al langer en was dé aanleiding voor het parlementaire onderzoek dat Grashoff in de afgelopen zes maanden leidde naar een ‘breed welvaartsbegrip’. En de onvrede over het bbp komt niet alleen van links. Het bbp, schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2013, „wordt steeds meer gelijkgesteld met (materiële) welvaart of, nog breder, met vooruitgang.” Dat was volgens de WRR „een (veel) te genereuze interpretatie”.

Die constatering was voor de Tweede Kamer reden om een parlementair onderzoek te starten naar mogelijke alternatieven om de welvaart van Nederland te meten, waarbij niet alleen de omvang van de economie in miljarden euro’s telt. Volgens de meest eenvoudige definitie is het bbp de gezamenlijke waarde van alle door een land geproduceerde goederen en diensten – dit jaar in Nederland zo’n 700 miljard euro.

De onderzoekscommissie onder leiding van Grashoff kwam woensdag met de aanbeveling om náást het bbp andere criteria te gebruiken om de welvaartsontwikkeling van Nederland te meten. Denk aan niet-materiële zaken als de stand van de gezondheidzorg, het niveau van het onderwijs en de luchtkwaliteit. Het kabinet moet zich voortaan niet langer alleen baseren op de macro-economische ramingen van het CPB, dat zo zwaar leunt op de ontwikkeling van het bbp.

Aan het bbp zelf tornt de commissie niet. „De meest robuuste indicator om de omvang van de economie te meten”, aldus het rapport Welvaart in kaart. Het was nadrukkelijk ook niet zijn bedoeling, zegt Grashoff om het bbp „even weg te poetsen”. „Ik ben geen econoom.”

U hebt niet zelf een nieuwe toverformule bedacht om nationale welvaart uit te drukken. Wat hebt u wel gedaan?
„We zagen al snel dat er honderden initiatieven bestaan, nationaal en internationaal, om tot een nieuwe meetmethode van welvaart te komen. Het was dus niet erg zinvol om te proberen daar nóg een nieuwe formule aan toe te voegen. Wij vonden het verstandiger om een beredeneerde keuze uit de bestaande ideeën te maken. De beste methode die we tegenkwamen is de Monitor Duurzaam Nederland die het CBS met de drie grote Nederlandse planbureau eens in de paar jaar uitbrengt. We willen het CBS vragen deze verder te ontwikkelen, hier en daar te verbeteren en vervolgens op een vast moment in het parlementaire seizoen te publiceren. Dat moet nieuwe Monitor Brede Welvaart worden.”

Wat is uw oordeel over de vermeende manco’s van het bbp?
„Wij wilden geen vendetta tegen het bbp voeren. We hebben gekeken wat het bbp wel en vooral ook niet meet en er met veel critici over gesproken. Uiteindelijk concluderen we dat het bbp de belangrijkste maatstaf is en blijft voor de omvang van onze economie. Maar ook dat bbp niet de juiste methode is om de welvaart van een land te meten. Daar is het ook nooit voor bedoeld geweest.”

Toch groeit de maatschappelijke kritiek op het bbp. Waaronder dus van uw eigen partijleider.
„Ik zit hier als neutrale voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie. In een andere hoedanigheid verhoud ik me tot Jesse Klaver. Als we er overigens in slagen om met aanvullende meetmethoden de brede welvaart in het politieke debat te krijgen, doen we dus ook iets aan die fixatie op het bbp.”

En het tweede deel van Klavers verzuchting, over economische groei?
„Wij hebben geen mening geformuleerd of economische groei op zichzelf zinvol is noch in hoeverre er voor het welzijn van de samenleving ook andere dingen moeten meetellen. Daar moet het politieke debat over gaan. Gelukkig zullen de zes commissieleden er weer heel verschillend over denken.”

De commissie bestond uit zes partijen, van links, van rechts en uit het midden, met nogal uiteenlopende opvattingen over economische politiek. Was dat niet lastig?
„We zijn elkaar heel weinig in de haren gevlogen. Maar natuurlijk kwam er af en toe wel wat spanning op tafel.”

Over welke kwesties zoal?
„We moesten criteria aanwijzen voor de ideale meetmethode van een breed welvaartsbegrip. De een hangt daarbij wat meer aan de koolstofvoetafdruk of een eerlijke inkomensverdeling dan de ander. Toch werden we het snel eens dat we veel enigszins objectiveerbare criteria zouden moeten laten meewegen en daarbij aansluiten bij de internationale consensus. We hebben het meetinstrument gedepolitiseerd. De Kamer en het kabinet moeten straks maar uitvechten hoe zwaar elk criterium moet tellen.

In Duitsland en Frankrijk studeren parlementaire commissies al langer op dit vraagstuk – we zijn er op bezoek geweest. Daar zien we het denkproces stokken omdat de verschillende partijen er niet uitkomen welke criteria wel en welke niet mogen meetellen. Dat onderhandelingsspel van uitruilen en uitsluiten wilden wij niet spelen.”