En de hond is ook al dood

jannetjekoelewijn0

Johan Veldhuis, melkventer in ruste, brengt voor Tafeltje Dekje warme maaltijden rond bij mensen die zelf niet meer kunnen koken. „De meesten zijn oud”, zegt hij. „Maar er zit er ook weleens eentje van een jaar of veertig tussen.” Die is dan ernstig ziek.

Eenzaam zijn de mensen bij wie hij komt ook. Hoe vaak gebeurt het niet dat ze hem vragen of hij nog even blijft praten? Dan hebben ze weer de hele dag alleen gezeten en de hond is ook al dood. Maar het kan niet. Hij moet altijd door naar de volgende.

Dit speelt zich af in Ootmarsum, Twente. „Vroeger”, zegt hij, „zouden ze eten van hun buren hebben gekregen. Toen hadden we nog noaberschop. Maar die tijd is niet meer. En weet je hoe dat komt? Door de weelde. De mensen hebben elkaar niet meer nodig.”

„Het heeft ook voordelen”, zegt Anny Veldhuis, huisvrouw. „Ik moest op zaterdag altijd naar de buren om schoon te maken. En dan ’s middags de kleine kinderen in bad doen. Ik denk weleens: ik zou dat nu toch niet meer gedaan hebben. Maar je wist niet anders.”

Hij: „Je hebt je moeder ook altijd geholpen.”

Zij: „Meteen na ons trouwen al, want toen werd ze ziek. Liep ik alle dagen met de baby in de wagen naar het huis van mijn ouders. Na een paar jaar zijn we bij hen ingetrokken.”

Hij: „Dat had ook voordelen.”

Zij: „Ja, dat had ook voordelen.”

Een kot vol kinderen en dan op de hand de was doen

Hij: „Bij ons thuis vroeger, wij waren zo arm dat we niet eens een bal hadden. We maakten er een van oude lappen en daar speelden we mee.”

Zij: „Zo erg was het bij ons niet. Wij verbouwden zelf groente en aardappelen. Dat scheelde echt, hoor.”

Hij: „Ik heb nog meegemaakt dat mijn moeder de was deed in een teil, met zo’n bord. Haar knokkels waren helemaal kapot. O, o, o, ik geef het je te doen. Een kot vol kinderen en dan op de hand de was doen.”

Zij: „Zonder stromend water.”

Hij: „Tot ons trouwen moest ik thuis mijn hele loon afgeven. Kreeg ik een rijksdaalder terug voor de benzine van mijn brommer. Mijn moeder zei: wij zullen later voor je uitzet zorgen. Nou, ik heb geen uitzet gezien.”

Zij: „Jawel, hoor. De lakens. De handdoeken.”

Hij: „Toen ik nog met melk reed, waren er mensen die me binnenriepen voor een boterham of een kom erwtensoep. Dat kun je je nu niet meer voorstellen. O, God, nee. Die tijd is niet meer.”

Zij: „Er is een hoop verloren gegaan. Maar we hebben ook veel gewonnen.”