Autisten kunnen naar een film kijken, maar makkelijk is dat niet

Een primeur is te veel gezegd: er is in Nederland vaker met autismevriendelijke cinema geëxperimenteerd. Maar deze vertoning van Disneys Zootropolis is wel de eerste van Rotterdam.

Bioscoop en autisme gaan slecht samen. Daverend lawaai, felle kleuren, hectische actie, harde contrasten: film is een sensorische nachtmerrie met een overgevoelig gehoor en trage prikkelverwerking. Mijn autiboy zat vroeger bij de begintitels al dubbel gevouwen in zijn stoel, heen en weer wiegend, handen over zijn oren. „Ik wilde graag lawaai maken, maar dan vonden anderen me gek”, zegt hij nu. Dus zat hij de ellende in stilte uit, de held.

De bioscoop als martelkamer: op hoeveel leed heb ik hem indertijd getrakteerd om een cinefiel van hem te maken? Of toch nog maar eens proberen? In Amerika experimenteren ze al jaren met autism friendly cinema. Het geluid staat dan zacht, gedempt zaallicht blijft aan, reclame en voorfilmpjes ontbreken, zaalwachten zijn getraind om gedoe te tolereren.

Mijn autiboy kijkt ernaar uit als naar een tandartsbezoek. Maar het moet, dus daar zitten we zondagmiddag in LantarenVenster. Disneys Magische Kasteel: achterin klinkt hoog gegil en sussend gefluister. Een kozakkenkoor van grommen en zoemen valt in, een Aziatisch ogend meisje met rugzakje vertrekt, keert terug, vertrekt. In de rij achter ons zwelt dof geloei aan, een stevige jongen springt plots enthousiast op en neer.

Mijn autiboy schuift met een gepijnigd gelaat richting zijkant en vouwt zich ouderwets dubbel, de handen over zijn oren. „Mag ik weg?”, smeekt hij. Toe, nog even. Een meisje dendert door het gangpad, gevolgd door haar ouders. Mijn echtgenote, een orthopedagoge, fluistert syndromen in mijn oor die zij zoal om ons heen vermoedt. Het halve alfabet: Asperger, PDD-NOS, ADD, ADHD.

O ja, de film. Zootropolis gaat over een konijntje en een vos die misdaad bestrijden in een stad waar roofdieren en planteneters vreedzaam samenleven. Mijn zoon ruimt al na een half uur het veld. De film was prima zo, zegt hij, ditmaal was het meer de zaal. Die loeiende jongen achter hem. „Ik snap best waarom hij dat doet, maar ik had er nogal last van.”

Veel ouders vonden het geweldig, een bioscoop waar niemand naar hun kind sist, hoor ik na afloop. Waarom wij van haar zoontje wegschoven, vraagt moeder Romana van de loeiende jongen achter ons een beetje gekwetst. Omdat mijn zoon weer last van hem had, leg ik uit. „Het was toch een beetje Zootropolis hier”, zucht ze. „Autisten kunnen samenleven, maar gemakkelijk is dat niet.”