‘Wij kunnen onze kinderen beschermen’

(45) gaan in non-fictieboeken in op discriminatie en racisme. Beiden kregen een gekleurd kind. Beiden zijn boos op de witte Nederlander die wegkijkt.

Foto's Ringel Goslinga Beeldbewerking Fotodienst NRC

Dit hing in de lucht. Dat Robert Vuijsje en Abdelkader Benali tegelijk een boek schreven over de maatschappelijke uitsluiting van Nederlanders met een dubbele achtergrond, is geen afgesproken werk, maar ook niet toevallig. Vuijsje: „Maar ik denk eerder: waarom heeft niet iederéén het hierover? Het is hét onderwerp van deze tijd. Iedere dag gaan de voorpagina’s van de kranten erover, of het nu gaat over vluchtelingen, Wilders of het onderwijs. Dat komt allemaal neer op de vraag hoe we met elkaar samenleven. Wie erbij hoort.”

De twee schrijvers, het bekendst van hun romans, schreven nu non-fictie. Robert Vuijsje baseerde Kaaskoppen mede op zijn Volkskrant-interviewserie met prominenten over de gevolgen van hun afkomst. Abdelkader Benali schreef een ‘brief’ aan zijn pasgeboren dochter, waarin hij essayeert over zijn eigen opvoeding – hardvochtigheid in een Rotterdams getto – en over de wereld waarin Amber zal opgroeien.

Met zijn boek treedt Benali in de voetsporen van de Amerikaanse schrijver Ta-Nehisi Coates, die vorig jaar in Tussen de wereld en mij het geweld tegen Afro-Amerikanen onderzocht, verpakt in een brief aan zijn zoon. Benali, zoon van een gastarbeider: „Zijn boek trof me als een mokerslag. Hij beschrijft hoe zijn vader hem ervan langs gaf als hij ondeugend was, als hij te laat nog op straat speelde. Dat herken ik, die jongen was ik. Coates schrijft: die vader slaat niet omdat hij een hekel aan ons had, maar uit angst dat anderen ervan zouden profiteren als wij niet werden ingeperkt. Het idee was: ik ransel je nu af, zodat drugsdealers, criminelen of de politie het niet zullen doen.”

‘Wij zullen anders zijn’, staat in Benali’s Brief aan mijn dochter, als een hoopvolle imperatief: ‘tot lijfstraffen gaan wij niet meer over – niet omdat we dat niet kunnen, maar omdat het niet meer nodig is.’ Maar zie de recente onderzoeken over sollicitatieprocedures waarbij afwijkende, ‘on-Hollandse’ achternamen tot benadeling leiden, over de achterstelling van schoolkinderen van laagopgeleide ouders. Niet meer nodig? Zijn afkomst, zijn naam, zijn huidskleur benadelen hem. En haar.

In het laatste hoofdstuk van Kaaskoppen richt ook Vuijsje zich rechtstreeks tot zijn jongste zoon – die een donkerder huidskleur dan zijn vader heeft, doordat zijn moeder zwart is. ‘Ik schrijf deze brief aan jou omdat je huid donkerder is, jij bent duidelijker herkenbaar als: De Ander.’ Hij heeft, zegt hij, „de pretentie dat ik er beter over kan schrijven dan andere mensen”. Hij kent het gevoel van de bevoorrechte gymnasiast en student (die hij was), hij kent het gevoel van iemand die eruitziet als Marokkaan (zo werd hij bekeken) en het gevoel van iemand die behoort tot een minderheid die geleden heeft onder de minderheidspositie (als jood): „Proefondervindelijk is tijdens de Tweede Wereldoorlog aangetoond dat, als het erop aankomt, ik er niet bij hoor.”

Een roes van woede

Het schrijverschap van beiden is lange tijd, of wordt nog steeds, door hun afkomst bepaald. In Vuijsjes geval toen zijn debuut Alleen maar nette mensen tot een discussie over racisme leidde. In Benali’s geval omdat hij op zoek naar erkenning soms „te ver afdwaalde” van wat hij had moeten doen, zegt hij – met andere woorden: zichzelf verloochende.

Vuijsje, die zestig mensen interviewde over hun afkomst: „De Surinamers en gastarbeiders van de eerste generatie hadden het gevoel dat ze te gast waren, dat ze dankbaar en beleefd moesten zijn. Hun kinderen zijn nu twintigers, dertigers, veertigers die hier geboren zijn en net zo Nederlands zijn, maar ervaren dat zij minder recht van spreken hebben dan de autochtone Hollanders.”

Benali: „Ik schrijf in mijn boek ook over de naam van mijn dochter – over het besef dat de naamgeving politiek geworden is.” Ze noemden haar Amber, omdat dat een Arabische betekenis heeft maar ook universeel klinkt. „Daar begint het dus al: het besef dat haar naam problematisch is. Daar werd ik woedend om, want ik kon er niets aan doen. Mijn keuzes waren niet vrij.”

Vuijsje: „Een heel groot deel van de Nederlanders doet dit soort discriminatie af als aanstellerij, een non-onderwerp. Daarom wilde ik die serie voor de Volkskrant maken: om week in week uit te laten zien dat het voor miljoenen mensen een deel van het dagelijks leven is. Niet een klacht van een misnoegde enkeling.”

Benali: „Ik heb het in een roes van woede geschreven. Ik moest daarom oppassen dat ik in mijn frustratie en wil om de wereld te kapittelen niet het papier verbrandde, zodat alleen de zwartgeblakerde randen van mijn verhaal resteerden. Ik bedoel: ik moest uitleggen waar mijn woede vandaan kwam, precies uitzoeken en formuleren waar het in de maatschappij misging, om contact te houden met de lezer. Dat viel me zwaar, ik wílde helemaal niet nuanceren, al realiseerde ik me ook wel dat het daar beter door werd. Maar dat ik me moest inhouden, voelde alsof ik dan pas de permission to narrate kreeg, zoals de (Palestijns-Amerikaanse literatuurcriticus,red.) Edward Said het noemt: de machthebber geeft jou toestemming om het woord te voeren. Die machtsverhouding is het probleem. In mijn brief richtte ik me tot mijn dochter, zodat ik verlost was van de vraag of ik dit mág vertellen.”

Vuijsje: „Niet iedereen in mijn boek is boos, nee. Sommigen zeggen: ik heb nooit last van mijn afkomst gehad. Mijn Hollandse vrienden zeiden dan: sympathieke jongen. Als een Nederlandse Marokkaan in een interview kritisch durfde te zijn over de islam, reageerden mensen op sociale media gretig en enthousiast, want dan mochten zij het ook zeggen. Iemand die kritischer kijkt, zoals Dries Boussatta die discriminatie in het voetbal signaleerde, vinden ze onsympathiek. Hij kreeg het verwijt dat hij overdreef, loog. Zo werd het probleem ontkend. Terwijl iederéén die ik sprak erkende dat afkomst ertoe doet en dat discriminatie en racisme bestaan in Nederland.”

Benali: „Natuurlijk, door de Brief te publiceren richt ik me ook tot de witte autochtonen. Ik wil ze een geweten schoppen. Die witte autochtoon vindt dit eng, voelt zich aangevallen door het verwijt van racisme, het komt te dichtbij. Dat is precies wat ik wil, te dichtbij komen. Zo dichtbij komt het voor allochtonen de hele tijd, als ze weer aangetast worden in hun identiteit. Ik hoop op een gelijkspel.”

Vuijsje: „Veel mensen blijven kijken naar Nederland alsof het nog 1950 is, blank en eenvormig, maar dat kun je niet blijven volhouden. Zeker niet in de Randstad: in de Kalverstraat zie je nu radicaal andere mensen langslopen dan in 1950, en dat gebeurt in toenemende mate in steden als Eindhoven, Arnhem, Enschede. Dat gaat om een paar miljoen mensen die hier geboren zijn en hier blijven. Ik wil wel benadrukken dat ik niet de politiek correcte theedrinker of knuffelaar ben, ik kijk niet weg van problemen. Wat ik pas wegkijken vind: wanneer je niet erkent hoe de Nederlandse bevolking is samengesteld. Als je de Nederlander definieert als blond en wit, kies je ervoor om miljoenen mensen niet mee te tellen of te zien.”

Marokkaan heeft het lastiger

De zoon van Robert Vuijsje heet Samuel Vuijsje en heeft geen witte huid. De dochter van Abdelkader Benali heet Amber Benali en heeft geen witte huid. Hun vaders schrijven hen om te waarschuwen – maar wie van de twee krijgt het, als er in de komende decennia niets verandert, moeilijker? Vuijsje: „Mijn vrouw, die een niet al te uitbundige naam heeft en accentloos ABN praat, krijgt bij een sollicitatiegesprek te horen: we dachten dat er een wit iemand zou binnenkomen. Dat zal voor mijn zoon ook het geval zijn, de dochter van Abdelkader kan niet eens uitgenodigd worden door haar achternaam. Voor haar zal het weer makkelijker zijn dat ze een meisje is – omdat ze geen fysieke bedreiging vormt. Zwarte of Marokkaanse jongens worden als bedreigender gezien. Ik zou zeggen dat een Marokkaan het op dit moment lastiger heeft dan een creool, maar ik weet ook dat honderdduizenden mensen het tegenovergestelde zullen beweren. Sommige mensen hebben de neiging om een hiërarchie van leed en onrecht te maken. Ze ervaren dat ze die nodig hebben om gehoord te worden.”

Benali: „Mijn dochter of Roberts zoon? Wij kunnen onze kinderen beschermen, wij kunnen hen iets meegeven. De echte kwestie is de Marokkaanse Amber uit Amsterdam-Oost van wie niet de vader schrijver en de moeder styliste is – dat is voor een grote groep niet aan de orde. Er is een grote groep mensen die uit een sociaal-economische achterstand probeert te komen, maar teruggeduwd wordt – kijk maar naar het rapport van de Onderwijsinspectie deze week. Die uitsluiting heeft niet met de talenten of vaardigheden van een kind te maken. Mijn boek gaat niet alleen over afkomst of etniciteit, maar over het hele parcours dat bepaalt wie je wordt. Dát maakt me boos, dát moet onderwerp van gesprek worden. Nu! Anders is de volgende generatie fucked.”