Voyante blondine met gevoileerde stem

Cox Habbema (1944 - 2016)

Actrice, regisseur en directeur

Steractrice in Duitsland en strijdbare schouwburgdirecteur

Cox Habbema in 1986. „Ik ben een idealist, en niet zo’n beetje.” Foto RUUD HOFF/anp

Cox Habbema was actrice, maar veel rollen heeft Nederland haar niet zien spelen. Ze speelde bijna twintig jaar lang bij het Deutsches Theater in Oost-Berlijn – en toen ze eind jaren tachtig terug naar Amsterdam kwam, na het neerhalen van de Berlijnse Muur, vervulde ze voornamelijk bestuurlijke functies in de kunstsector.

Ze vond, zei ze in 1986 met vooruitziende blik in NRC toen ze directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg werd, dat kunstenaars meer aandacht aan dat soort beleidszaken moesten besteden: „Kunstenaars moeten zich realiseren dat het beleid wordt bepaald door geldstromen. En het zou dus beter zijn als ze zich daarmee zouden encanailleren. Op een dag zal een regering rendement gaan verlangen voor alle investeringen. Daarop moet je voorbereid zijn”.

Maandag is Cox Habbema overleden, 72 jaar oud. Van haar werk resten voornamelijk enkele films, zoals Rufus (1975), Dokter Vlimmen (1978) en De stilte rond Christine M. (1982).

Ze was in die tijd vooral bekend als voyante blondine met een vamp-achtige uitstraling en een fijnzinnig ironische toon in de manier waarop ze, ietwat gevoileerd, haar teksten uitsprak.

De eerste keer dat ze – enigszins verhuld – in de krant kwam, was in de zomer van 1963, toen ze op haar negentiende in de smaak viel bij de twintig jaar oudere chansonnier Charles Aznavour, op het Leidseplein in Amsterdam. Hij nam haar mee op zijn Nederlandse tournee en nodigde haar vervolgens uit met hem mee te gaan naar Nice. Met medewerking van de marechaussee konden haar ouders dat tripje op Schiphol verijdelen.

Na de toneelschool debuteerde Cox (voluit Cornelia) Habbema in 1967 bij toneelgroep Centrum. Twee jaar later bracht een romance met de Duitse acteur Eberhard Esche haar naar het communistische Berlijn. Ze speelde daar hoofdrollen in een paar luchtige films en werd steractrice bij het Deutsches Theater. Hoe ze daar schipperde met de ideologische eisen die het Oost-Duitse regime aan het toneel wilde stellen, beschreef ze in haar boekje Mijn koffer in Berlijn.

Maar ze bleef er optreden, zelfs nadat ze in 1986 directeur werd van de Stadsschouwburg . Nog drie jaar lang stapte ze toen vaak in het weekend in de trein naar Berlijn om daar een rol te spelen. Tot de Muur viel en zij, net als bijna al haar collega’s, werd ontslagen.

Bij de Stadsschouwburg werkte ze tien jaar – in een tumultueuze periode, waarin zij regelmatig met het huisgezelschap Toneelgroep Amsterdam (TGA) in botsing kwam over de bespeling van het theater.

Habbema was meestal degene die meer aan de toegankelijkheid van de programmering hechtte dan de toenmalige TA-leiding. Het café, dat ze in een ruimte van de schouwburg liet inrichten, kreeg bij wijze van waardering de naam Café Cox.

Nadien bekleedde ze een groot aantal adviesfuncties (onder meer als voorzitter van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen). Ook regisseerde ze opera’s, toneelstukken en een show van Adèle Bloemendaal. Bij alles stond voorop dat er kwaliteit moest worden geboden voor zo veel mogelijk bezoekers. „Ik ben een idealist”, zei ze, „en niet zo’n beetje”.