Column

Satanische films

Als kind was ik een tijdlang enorm rooms-katholiek, om mezelf af te kunnen zetten tegen zowel mijn protestantse dorp als mijn agnostische ouders. Nog steeds weet ik niet helemaal zeker waarom ik in die tijd niet gewoon atheïst was, maar ik denk dat religie mij de kans bood om vervelend te kunnen doen. Bovendien merkte ik na verloop van tijd dat ik oprecht begon te geloven, en dat voelde goed: het bood hoop en richtlijnen.

In dezelfde periode werd het onder mijn zeer christelijke leeftijdsgenootjes mode om stout te zijn. Wat daarbij hielp, was dat we vanaf groep zeven met verjaardagen niet meer gingen zwemmen en friet eten, maar dat er slaapfeestjes werden gehouden. Zodra het ouderlijk gezag zich met whisky en oordopjes boven terugtrok, kon het feest beneden beginnen.

Een klasgenootje had een oudere broer die voor vijf gulden voor ons naar de videotheek in de stad ging. Op het slaapfeest zagen we daardoor de ene na de andere verboden rolprent. We zetten het geluid weliswaar zo zacht dat je niet meer kon horen wat er werd gezegd, maar ach, voor de dialoog keken we toch niet. Het waren steeds andere films, wat er gebeurde was altijd hetzelfde. Wij, devote kinderen die alle tophits van dominee Oosterhuis uit het hoofd kenden, kropen samen om naar Hellraiser, Child’s Play en Poltergeist te kijken. Je moest een sterke blaas hebben, want bijna niemand durfde in het donker nog naar de wc.

Ik vond het leuk om iets stouts te doen, zeker omdat onze hoofdmeester had gezegd dat horrorfilms het werk van Satan waren. Maar waar mijn hervormde klasgenootjes huilend van angst in hun slaapzak wegkropen bij ieder braaksalvo in de Excorist, verveelde ik me als katholiek een beetje. „Whatever”, dacht ik, „de Maagd zal mij beschermen.” Terwijl in de film leeftijdsgenootjes werden neergestoken, was mijn vertrouwen in God zo rotsvast dat er eigenlijk weinig te griezelen viel. Ik zag hoe mijn vriendinnetjes gilletjes sloegen en daarna lachten en elkaar omhelsden. Door bang te zijn, hoorde je erbij.

„Wat nou”, dacht ik, „als ik me er een beetje voor open stel. Ik even doe alsof God niet bestaat, gewoon, zodat het iets spannender wordt. Alsof er geen leven na de dood is, alleen gewoon de hel. Dat er niet Iemand is, die 24/7 over je waakt.” Toen ik dat mezelf eenmaal had wijsgemaakt, kon ik niet meer terug. Na The Shining heb ik twee dagen niet geslapen. Alles was onveilig geworden. Ik had me opengezet voor de mogelijkheid van een andere werkelijkheid. Sindsdien slik ik medicijnen, is God in geen velden of wegen meer te bekennen en begrijp ik de mensheid veel beter.