Op avontuur in de Amerikaanse indiewereld

Ze zijn er nog: indierockalbums die juist in hun eigenzinnigheid het vuur doen oplaaien.

Parquet Courts

Rock-’n-roll, al vaak dood verklaard, heeft het onstuitbare vermogen zichzelf telkens opnieuw uit te vinden. De laatste grote opleving in de Amerikaanse indierock stamt van vijftien jaar geleden, toen The Strokes de klassieke Rolling Stonesbezetting (zanger, twee gitaristen, bas en drums) nieuw leven inbliezen met hun onweerstaanbaar creatieve en opzwepende debuutalbum Is This It. The Strokes kregen veel navolgers maar die ene krachtsexplosie van Julian Casablancas en zijn hartbewakers van de rock-’n-roll bleek onnavolgbaar, ook voor de band zelf.

Des te verheugende is het om drie Amerikaanse indierockalbums te ontdekken die juist in hun eigenzinnigheid het vuur doen oplaaien. Parquet Courts uit New York maakt grillige indierock die op hun eerdere platen nog wel eens zinloos lawaaiig kon uitpakken. Hun vijfde album Human Performance stelt de songs centraal en heeft de Strokes-achtige stekeligheid van muziek die compromisloos en toch toegankelijk is. Openingsnummer ‘Dust’ daagt uit tot meezingen van de vreemde tekstregel ‘dust is everywhere, sweep!’ Het titelnummer herinnert aan oerpunker Richard Hell en in ‘Paraphrased’ lijkt de bonkige new wave van Pere Ubu gecomprimeerd tot dynamische gitaarrock. Dertien songs met sterk wisselende sfeer en tempo roepen een nieuwe lente uit voor muziek die springt als koeien in de wei.

Plague Vendor uit Californië houdt zich wat strikter aan het midtempo van klassieke gitaarrock en heeft met de machinaal doordenderende gitaar van Jay Rogers en de opgewonden schreeuwzang van Brandon Blaine een gouden combinatie in huis. Hun tweede album Bloodsweat beweegt zich tussen punk, grunge en metal. Op hun best zijn ze als ze hun galmende woestijnrock in ‘Jezebel’ en ‘Credentials’ voorzien van een frisse punkdynamiek, met een zanger die het podium onveilig schijnt te maken als een jonge Nick Cave.

Yeasayer uit Brooklyn is veel minder afhankelijk van de elektrische gitaar en combineert de vocaal complexe poptraditie van The Beach Boys met art rock in de geest van Talking Heads en het Engelse XTC. In hun elektronisch klankenspectrum is plaats voor vervormde steeldrumgeluiden en nagebootste theeketelfluitjes. Het vierde album Amen & Goodbye van deze seriële experimentalisten kwam tot stand in nauwe samenwerking met beeldend kunstenaar David Altmejd, wiens gedeconstrueerde gipsbeelden de hoes sieren en de diepgelaagde muziek inspireerden. Songs als het met vervreemdend kinderkoor opgeluisterde ‘I Am Chemistry’ en het tedere ‘Uma’ ontstijgen de rockmuziek en brengen avontuur in de Amerikaanse indiepop.