Onderzoek 1945-1950 is nodig, of Joko Widodo het wil of niet

De Indonesische president Joko Widodo heeft geen behoefte aan diepgravend onderzoek naar mogelijke Nederlandse oorlogsmisdaden ten tijde van de koloniale oorlog tussen 1945 en 1950. In een interview met NRC, afgelopen zaterdag, zei de president dat hij vooruit wil kijken. Komende vrijdag brengt Widodo een bezoek aan Nederland.

Het is in zestien jaar het eerste bezoek van een Indonesisch staatshoofd aan Nederland. Een voorgenomen bezoek van Widodo’s voorganger Susilo Bambang Yudhoyono werd in 2010 op het laatste moment afgezegd. De president zat niet te wachten op gezichtsverlies door een mogelijke arrestatie bij aankomst op Schiphol. Dat eisten vertegenwoordigers van de regering in ballingschap van de Republik Maluku Selatan (RMS). Zij wilden Yudhoyono aanklagen voor moord en mishandeling. Die kwestie alleen al bewijst dat het niet verstandig zou zijn het koloniale verleden, waarvan ook de RMS een erfenis is, te negeren.

Het belangrijkste doel van Widodo is het verbeteren van handelsbetrekkingen met Nederland, maar ook met Duitsland en België.

De president reageerde met zijn uitspraak over het historisch onderzoek op minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA), die zich onlangs bij een bezoek aan Java had uitgesproken voor diepgravend onderzoek naar het optreden van Nederlandse militairen tijdens de zogeheten ‘politionele acties’.

Het valt toe te juichen dat Koenders als eerste Nederlandse bewindspersoon een bezoek bracht aan het dorp Balongsari, dat destijds Rawagede heette, en waar op 9 december 1947 Nederlandse militairen 431 mannen en jongens standrechtelijk executeerden. Deze massamoord was er slechts één van velen.

Nederlandse historici en politici stonden decennia op het standpunt dat het hierbij ging om excessen, dat wil zeggen om uitzonderingen op de regel. Inmiddels bestaat er echter veel bewijsmateriaal dat het aannemelijk maakt dat Nederlandse militairen structureel grof geweld hebben toegepast.

Koenders heeft in Indonesië gezegd dat het tijd is dat Nederland met dit verleden in het reine komt: „Als een maatschappij met open ogen de toekomst tegemoet wil treden moet zij ook de moed hebben het verleden onder ogen te zien.” Daarin had hij gelijk, en het is dus het aangewezen moment dat hij de volgende stap zet: het stimuleren van het gewenste onderzoek.

Daarbij is het niet nodig te wachten op medewerking van Indonesië, zoals eerder werd geredeneerd. Dat land heeft te veel eigen redenen om het recente verleden te laten rusten.