Mijn eerste aanrijding – en Koenders maar wachten

De correspondent Vader en zoon zijn woedend. Maar gelukkig blijkt de tegenpartij toch een vrolijk gezin. Hoe naïef kun je zijn?

Een knal, gierende remmen: mijn eerste aanrijding in Indonesië. Slecht moment. Mijn auto – mijn chauffeur achter het stuur, ik achterin – bungelt achteraan in een konvooi onder politiebegeleiding. Voorop rijdt Bert Koenders. De minister van Buitenlandse Zaken gaat naar het Javaanse dorp Balongsari, waar hij nabestaanden ontmoet van ‘Rawagede’, een Nederlandse slachtpartij in 1947.

In de file dacht een auto voor ons te profiteren van het konvooi. Hij wilde zich ertussen wurmen. Wij weken uit en knalden met onze spiegel tegen de zijkant van een auto naast ons.

Twee woedende mannen springen uit de auto. Hun spion, oftewel spiegel, hangt naast de auto, zijruit verbrijzeld. Mijn chauffeur probeert weg te rijden. Niet netjes, maar we hebben haast én er zijn verhalen over buitenlanders die na een aanrijding worden afgezet of in elkaar geslagen. De jongste van de twee mannen, vader en zoon, werpt zich op onze motorkap en begint hard te slaan. Snel bel ik met een Nederlandse diplomaat. Het konvooi wacht een kilometer verderop. Aardig én opportuun: zonder mijn aanwezigheid twee belangrijke media minder (NRC en RTL) die verslag doen van Koenders’ bezoek. De minister kan de hoogbejaarde nabestaanden niet lang laten wachten. Haast is geboden.

Kalm schadeformulieren invullen is er niet bij. Vader en zoon krijsen, wij brullen terug. Zij zeggen geen verzekering te hebben en mijn chauffeur doet mistig of hij gedekt is, Indonesiërs zijn notoir onderverzekerd.

Tegelijk komt het wantrouwen tussen de etnische groepen naar boven. „Het zijn Chinezen: oplichters en boeven”, sist mijn fixer. De mannen zijn Indonesiërs van Chinese komaf; mijn chauffeur is Javaans en gelovig moslim.

Ik beloof alles te vergoeden. Pas als de vader het rijbewijs en de identiteitskaart van mijn chauffeur heeft afgetroggeld als onderpand kunnen we verder. Koenders wacht nog.

Een paar dagen later gaat mijn telefoon. Of ik om zeven uur ’s avonds bij de Starbucks van het winkelcentrum in Kelapa Gading kan komen. Ik tref een vrolijk gezin. De zoon die woest op onze motorkap lag, haalt nu een ijskoffie voor mij. Moeder en dochter zijn er ook. Ik vraag of ze in de nieuwbouwwijk – gebouwd door een etnische Chinese projectontwikkelaar en in trek bij die minderheid – wonen. „Nee, maar hier voelen wij ons op ons gemak”, zegt de vader.

Ik vraag hoeveel het heeft gekost om te repareren. Ze hebben de de schade nog niet gerepareerd: ze willen eerst geld zien. De zoon toont een offerte. Het komt neer op omgerekend 250 euro. „Inclusief benzinekosten, verf en wasbeurt denk ik dat je meer moet betalen”, zegt hij. Hij wil 350 euro. Ik werp tegen dat de klappen met zijn zegelringen op onze motorkap ook deuken hebben achtergelaten. Deemoedig excuseert de zoon zich voor zijn emosi. „Laat die wasbeurt en benzine maar zitten”, zegt de zoon.

De familie belooft een rekening te sturen voor mijn verzekering. „Toen mijn zoon zei dat er een westerse, christelijke man in de auto zat, wist ik dat het goed zat”, zegt de moeder.

„Natuurlijk ben jij te goeder trouw. Wil je trouwens naar de film met mijn dochter?”

Vrolijk verlaat ik het terras, trots dat ik dit akkefietje op Indonesische wijze heb afgehandeld door de prijs naar beneden te pingelen. Ik heb mij niet ingelaten met het heersende wantrouwen. Die keurige mensen waren geschrokken, houd ik mijzelf voor.

Twee weken later heb ik nog steeds geen factuur ontvangen. Sms’jes beantwoordt de familie niet. Ze hebben een dure prijsberekening van een Toyota-garage gevraagd en vervolgens hebben ze voor een fractie van de prijs die spiegel bij een mannetje op de hoek gerepareerd, zegt een kennis. „Waarom ben jij zo goedgelovig?”