De Jongh en Stout dansen sensueel duet

In Berlioz’ ‘dramatische symfonie’ (geen opera!) Roméo et Juliette bloeit de sensualiteit pas later op.

Door Mischa Spel en Francine van der Wiel

Scène uit Roméo et Juliette Foto Monika Rittershaus

Wonderlijk is het wel. Pas nu, in Berlioz’ ‘dramatische symfonie’ (geen opera!) Roméo et Juliette werken De Nationale Opera en Het Nationale Ballet sinds de fusie in 2013 echt samen. Concrete plannen voor een nieuw samenwerkingsproject zijn er nog niet – alleen intenties. Terwijl de mogelijkheden toch zeer rijk zijn.

Voor de eerste duosprong in het diepe werd een beproefde productie gekozen. Choreograaf Sasha Waltz maakte eerder, ook in Nederland, furore met muziektheatervoorstellingen als Dido en Aeneas en Medea. Haar regie van Roméo et Juliette werd al in 2007 ontwikkeld voor de Opéra Bastille in Parijs en is al in meer steden hernomen.

Berlioz’ Roméo et Juliette is een hybride (tijdgenoten spraken ook wel van een ‘esthetisch monstrum’) van symfonie en oratorium; hoofdzakelijk kleurrijk geïnstrumenteerde programmamuziek die zich uitstekend laat vermommen tot balletmuziek. De bijdragen van de drie vocale solisten zijn schaars, maar de rol van het prachtige koor van de Nationale Opera is wel essentieel en dragend.

In de choreografie kiest Sasha Waltz er echter voor die ruim 70 koorzangers dienend in te zetten; de openingsscène wordt gezongen vanuit de orkestbak, in het slotkoor wordt de vrede tussen beide families bezongen door statische cohorten aan weerszijden van het podium. Slechts een enkel moment mengen de zangers zich met de dansers op de vloer.

Samenhang is soms ver te zoeken

Er is een vollediger symbiose denkbaar tussen ballet, orkest en zang denkbaar, en ook binnen de choreografie zelf is de samenhang soms ver te zoeken. Waltz plakt korte groepsdelen in een vooroorlogs aandoende expressionistische stijl – zijwaartse ritmische pasjes, gecombineerd met stram gestrekte armen, handpalmen open – aan lyrischer passages met klassieke lijnen of hopsige balscènes in donzige tutu’s, inclusief ietwat flauw dronkemansgestrompel in de balscène, dat in de onbeholpenheid aan het werk van Mats Ek doet denken. Het ensemble lost regelmatig op in kleinere, over de ruimte verdeelde, bewegende groepssculpturen, die in het zwart-wit van decor en kostuums tableaus creëren van een fraaie, grafische kwaliteit, maar ook naar decoratieve overdaad neigen.

De impact van het muzikaal aandeel wisselt sterk. Dirigent Kazushi Ono, oud-chef van de Brusselse Munt, heeft drie kwartier nodig om het Nederlands Philharmonisch Orkest tot sensualiteit te verleiden. Voordien snak je in de prachtaria Premiers transports met zijn elegante lijnen en gloeiende harpen naar meer elasticiteit. Ook de balscène laat stemmen onbelicht die de instrumentatie juist geniaal maken.

Zo blijft de bezongen liefdesvervoering een abstractie en bloeit de sensualiteit pas echt op in de Scène d’amour, een lang duet waarin Igone de Jongh en James Stout elkaar in beweging de liefde verklaren, vol tedere liefkozingen en vreugdevolle, ademloze omhelzingen. Inventief zijn de vele lifts waarin Roméo zijn Juliette optilt, aandoenlijk is het plagerige spel waarin zij hem met haar voet verschikt.

Beide dansers zijn bewonderenswaardig ontspannen in Waltz’ hybride danstaal, en het is een verademing De Jongh op de blote voeten te zien dansen, zonder het ‘harnas’ van de klassieke wetten, naturel en vol overgave. Stouts expressiviteit komt vooral tot bloei in het tragische slotduet.

Waltz en haar decorteam (Pia Maier Schriever en Thomas Schenk) kiezen voor een sober, effectief toneelbeeld waarin een groot wit vierkant al dan niet half opgetakeld dienst kan doen als schuilplaats, liefdesplatform en begraafplaats. Kostuumontwerper Bernd Skodzig heeft zich met name op de hoofddeksels van het koor uitgeleefd, met referenties aan diverse religieuze orthodoxieën.