Technisch onderzoek krijgt tot 2020 veel minder geld

Nederland geeft een derde minder aan onderzoek uit dan de EU aanbeveelt. En de uitgaven dalen verder. De politiek reageert verdeeld.

Het technologisch onderzoek krijgt minder overheidsgeld. Foto Sam Rentmeester/FMAX

„Een domper”, noemt Kamerlid Jasper van Dijk (SP) de tot 2020 verder dalende overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling (r&d). Nederland liep al achter bij vergelijkbare EU-landen. Het Rathenau-instituut publiceerde de cijfers vorige week op basis van de begrotingen van de ministeries.

Van Dijk vindt dat de rijksbijdrage aan r&d opgeschroefd moet worden. „Alle mooie woorden van de coalitie over de kenniseconomie blijken een lege huls”, zegt hij.

Maar VVD-kamerlid Pieter Duisenberg vindt dat de Nederlandse overheid het, vergeleken met andere overheden, relatief goed doet. Juist de private investeringen blijven achter. Duisenberg wil meer publiek-private samenwerkingen zien. Een goed voorbeeld vindt hij het afgelopen december opgerichte chemieconsortium. Universiteiten, overheid en bedrijven als Shell, Basf en Akzo werken samen om nieuwe, duurzame chemische bouwstenen te maken voor allerlei materialen. Jaarlijks gaat er 11 miljoen euro naar het consortium, voor langere tijd. Duisenberg: „Zulke consortia zijn het model voor de toekomst.”

De investeringen van de Nederlandse rijksoverheid in r&d blijven achter bij de groei van de economie, concludeert het Rathenau-instituut. Die investeringen dreigen de komende jaren af te nemen tot het laagste niveau in de afgelopen 20 jaar, staat in het rapport ‘Feiten en cijfers; totale investeringen in wetenschap en innovatie 2014-2020’.

Het instituut brengt jaarlijks een overzicht uit van de verwachte investeringen in r&d, gebaseerd op de begrotingen van de ministeries. Hieronder vallen ook fiscale regelingen, bedoeld om r&d door het bedrijfsleven te stimuleren.

Vorig jaar gaven de ministeries 6,3 miljard euro uit aan r&d voor het hoger onderwijs, kennisinstituten en bedrijfsleven. Dat was ruim 300 miljoen euro méér dan in 2014. Maar tot 2020 zal dat bedrag afnemen tot net onder de 6 miljard euro. Vooral technologische instituten als TNO, KNMI, ECN en Deltares leveren fors in.

De totale rijksuitgaven dalen, gemeten als percentage van het bruto binnenlands product (bbp), van 0,93 procent in 2015 naar 0,79 procent in 2020. Exclusief de fiscale regelingen is dat respectievelijk 0,74 en 0,62 procent.

De Europese Unie heeft als doel voor 2020 dat lidstaten 3 procent van hun bbp uitgeven aan r&d – dit is exclusief fiscale regelingen. Investeringen in r&d worden gezien als een belangrijke motor voor economische groei. Die 3-procentsnorm omvat publieke én private uitgaven. Nederland heeft dat percentage naar 2,5 procent bijgesteld. In werkelijkheid zit Nederland nu net onder de 2 procent.

Wil Nederland zijn eigen doelstelling van 2,5 procent halen, dan moet er volgens het Rathenau-rapport de komende vier jaar circa 4 miljard euro extra aan publiek en/of privaat r&d-geld bijkomen.

Kanttekening is dat bij de publieke r&d-uitgaven een aantal posten nog niet worden meegeteld. Zoals de Brusselse onderzoeksprogramma’s. De inkomsten voor Nederland daaruit stijgen. De komende jaren gaat het volgens het Rathenau Instituut om jaarlijks 700 tot 800 miljoen euro.