Maïskolf als schoonheidsideaal Maya’s

Masker gemaakt van jade, obsidiaan en schelpen (500-800 na Christus).

Jade wordt in sommige culturen mooier gevonden dan goud. Niet het geel van de zon maar het groen van planten is waar dan naar verwezen wordt om deze voorkeur duidelijk te maken.

In het geval van de Maya’s, wier cultuur bloeide tussen 250 en 900 na Chr., ligt die verklaring niet zo voor de hand. De plant die door dit volk vereerd werd was maïs, waarvan de kolven zo geel als goud zijn. Maar anders dan de Inca’s en de Azteken hadden de Maya’s, die leefden en leven in Guatemala en het zuiden van Mexico, geen goud en importeerden ze het nauwelijks. Jade was er wel.

Op de grote, bijzonder vormgegeven tentoonstelling over de cultuur van de Maya’s in het Drents Museum zijn twee oorpluggen van goud te zien en een grote hoeveelheid sieraden en voorwerpen van jade, waaronder een klein rond masker van veel stukken jade, aangevuld met schelp, koraal en obsidiaan dat waarschijnlijk ter versiering van de riem of de hoofdtooi van een vorst diende. Dit schitterende masker, het beeldmerk van de tentoonstelling, is opvallend rond, wat weer niet strookt met andere informatie die is Assen geboden wordt; namelijk dat de maïsgod meestal met een langwerpig gezicht wordt afgebeeld, net zo langwerpig als een maïskolf, en dat heersers vaak ook zo worden weergegeven omdat ze op de maïsgod willen lijken. Dat willen ze niet eens alleen op afbeeldingen, maar ook in het echt: de hoofden van adellijke baby’s werden vlak na de geboorte vaak tussen twee platen gebonden om hun schedel langwerpig te maken.

Het woud van verwijzingen is ook in de cultuur van de Maya’s dicht genoeg om er niet al te makkelijk in door te kunnen dringen. Het is goed als een tentoonstelling niet pretendeert alles helder te kunnen krijgen. In het Drents Museum geven ze toe dat niet alles wordt geweten: zo liggen er in een van de vitrines een paar kleine benen voorwerpen waarvan niemand weet waarvoor ze gediend hebben. Maar ze liggen er wel. Interessant is ook dat veel van de voorwerpen op de tentoonstelling recente vondsten zijn, zoals een enorm beeld van een kruipende krijger vermomd als jaguar uit een van de eerste eeuwen na Chr, dat twintig jaar geleden gevonden werd bij bouwwerkzaamheden.

Pas tien jaar geleden werd een 1300 jaar oude groep aardwerken figuurtjes gevonden in een grafkamer in de oude Maya-stad El Peru-Waka, nu ook aanwezig in Assen, dat voor de expositie kon putten uit de collecties van onder meer het Nationaal Archeologisch Museum en de Fundación La Ruta Maya uit Guatemala. Deze fundación is een organisatie die gestolen archeologisch erfgoed naar het land van herkomst probeert terug te brengen. Veel vondsten verlaten nog steeds illegaal het land.

Een van de fraaiste beeldjes is dat van een koning en een hert, een voor de meeste Europeanen verrassende combinatie. Het hert heeft een broekje aan en zit op zijn achterpootjes. Met de hoefjes van zijn voorpoten lijkt hij te bidden.

Er zijn meer fraaie en grappige dieren te zien op de tentoonstelling, die soms juist om hun originele of pragmatische realisme bekoren, zoals een stenen kikkertje dat aan het zwemmen of springen is – een achterpoot heeft hij al ingetrokken – en een kruik in de vorm van een slapende hond. Zo gaat het van mysterieus tot herkenbaar in telkens verrassende mate.

De tentoonstelling Maya’s, heersers van het regenwoud is opgezet als een soort gestileerde Maya-tempel, waarin de vitrines met voorwerpen zijn ondergebracht. Daarbuiten staan de grote beelden en steles, stenen reliëfs, met daarop inscripties in het hiëroglyfenschrift van de Maya’s. Aan het begin en het eind is er nog een tafel met maïskolven, geel en glanzend.