‘Laat merken dat je meeleeft’

Hoe pakt de nieuwe uitkeringswet in de praktijk uit? NRC gaat naar de sociale dienst. Vandaag: Veghel

Voor persoonlijk contact met mensen in de bijstand hebben sociale diensten steeds minder tijd. „Ik kan geen 255 klanten kennen.”

Illustratie Anne van Wieren

Diploma’s heeft hij niet, wel veel rijbewijzen. „Eigenlijk voor alles behalve motors”, zegt de 62-jarige klant van Optimisd, de sociale dienst in Veghel. Lang geleden gehaald en altijd verlengd. „Ge wit oit noit nie”, zegt hij op zijn Brabants. Alleen hij heeft ze nooit gebruikt.

Ja, wel zijn gewone rijbewijs. „Een verkeersregelaar moet een auto hebben, hè.” Van april tot december staat hij langs de weg. Nu gaat hij van de WW de bijstand in.

„Hoe is het met uw gezondheid?”, vraagt klantmanager Yvonne van Schijndel „En wat doet u overdag zoal?” Nou, hij fietst veel, houdt de tuin een beetje bij. Tussen vier muren zitten vindt hij niks. „En heeft u sociale contacten?” Ja ja, familie.

„U wilt ook weer in de bouw werken, zie ik. Is dat haalbaar?”, vraagt ze subtiel. „Denk het niet”, zegt hij. „De bouw zit vol Oost-Europanen.”

„En wat vindt u van werken in het groen?”, zegt de klantmanager. „En van vrijwilligerswerk?” Hier, een vacature voor het beschermen van weidevogels. „Nog nooit over nagedacht”, zegt hij. Ze spreken af dat hij gaat bellen. Hij krijgt het nummer mee, want internet heeft hij niet.

Dit soort gesprekjes zijn effectief, volgens onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam van vorig jaar. In het experiment sprak de sociale dienst van Bergen op Zoom, Steenbergen en Woensdrecht 360 langdurig werklozen vier keer in een jaar. Het doel was om ze te helpen aan een betaalde baan, vrijwilligerswerk of bijvoorbeeld een opleiding – en anders met hun financiën, sociale relaties, woning of gezondheid. ‘FIP’-contact noemden ze dat: frequent, intensief en persoonlijk.

Zwaar verslaafd

Na een jaar had ruim 20 procent geen uitkering meer nodig: bijna 3 procent meer dan normaal. Zo zou de sociale dienst in theorie 7,5 ton per jaar kunnen besparen. „Wat ook belangrijk is, is dat je beter inzicht krijgt waar klanten mee worstelen, zegt Menno Fenger, bijzonder hoogleraar bestuurskunde in Rotterdam. „In ons onderzoek bleken bijvoorbeeld dertig mensen zwaar verslaafd te zijn. Als je weet wie dat zijn, kun je je aanpak aanpassen.”

Alleen is er steeds minder tijd voor persoonlijk contact, zeggen sociale diensten. Zeker in tijden van hoge werkloosheid en slinkende budgetten. Vanaf 2009 is het aantal mensen in de bijstand met bijna 50 procent gestegen naar 450.000 eind vorig jaar. Volgens cijfers van Divosa, de vereniging van managers van sociale diensten, is vanaf 2010 het participatiebudget om mensen in de bijstand naar werk te begeleiden verlaagd van 1,9 miljard euro tot minder dan 600 miljoen euro.

„Vroeger had je regelmatig contact met klanten. We nodigden ze ieder jaar uit”, zegt klantmanager Elly van Brussel van Optimisd. „Dat is losgelaten omdat we meer klanten met minder mensen moeten helpen. De regel is: ken je klant. Maar ik kan geen 225 cliënten kennen.”

Huisbezoeken schieten er tegenwoordig ook vaak bij in, zegt ze. „Jammer, want zo kun je vaak ontdekken waar mensen mee zitten. Soms zie je pure armoede, een woning met alleen een stoel. Soms zie je juist luxe. Dan weet je: hier klopt iets niet.”

Met de Participatiewet is er ook meer papierwerk bijgekomen, volgens directeur Ruud van den Tillaar. „Formeel moet je nu veel meer dingen rapporteren. Als iemand solliciteert met een rare oorbel en niet wordt aangenomen, bijvoorbeeld. Of het Nederlands niet goed genoeg onder de knie krijgt. Klantmanagers zitten te veel tijd achter hun scherm.”

En het is gemeenten eigen om alles „rechtmatig” te willen doen, zegt Van den Tillaar. „Ons systeem is ingericht op wantrouwen. Terwijl een paar procent van onze klanten fraudeert, belasten we hen en onszelf voor 100 procent met formulieren en rapportages. Je kunt ook slimmer controleren. Ik heb liever 2 procent meer fraude en 25 procent minder uitkeringen.”

Geen tandarts

De sociale dienst is voor sommige klanten ook een sociaal contact. Schuldhulpverlener Mieke Bosch zit tegenover een oud-kraanmachinist van 58. De Belastingdienst heeft vijf jaar terug ontdekt dat ze een foutje hebben gemaakt, zegt hij. Maar ze hebben hém fraude „om zijn nek” gehangen, hij heeft er nog drie weken voor vastgezeten. Sinds kort woont hij zelfstandig en daarom wordt zijn inkomen nu beheerd.

„Je hebt daar nooit aan kunnen wennen, he”, zegt Bosch. Nee. Dus komt hij langs met kritische vragen – en een beetje om te klagen. Over zijn zorgkosten, de tandartsverzekering terwijl hij geen tandarts heeft, schuldaflossing met zijn vakantiegeld, de wachtlijst voor zijn computercursus. En hij is ook nog hartpatiënt. Hij rookt zware shag, sinds zijn veertiende. Ach, zijn opa is er bijna 99 mee geworden.

Bosch knikt begrijpend, kapt soms zachtjes af en geeft praktische uitleg. Ze heeft 25 jaar als hypotheekadviseur bij een bank gewerkt. Haar financiële kennis komt nog altijd van pas, maar invoeling is net zo belangrijk. „Ik heb niet zo veel met alle verhalen over gezondheid”, zegt ze eerlijk. „Tot een stagiair me ooit de tip gaf: laat gewoon één keer merken dat je echt meeleeft.”