Column

In Iran, goedgelovig en achterdochtig tegelijk

‘Oh”, denk je al snel, „ik heb dit land altijd heel verkeerd beoordeeld!” Nu ja, beoordeeld – zelfs dat niet. Gewoon een vage notie gehad van een ‘eng’ land. In het zwart gehulde vrouwen met fanatieke blik. Baardige mannen die „dood aan Amerika” schreeuwen en elke gelegenheid aangrijpen om de Amerikaanse vlag in brand te steken.

Natuurlijk weet je wel beter. De serie van Thomas Erdbrink op de televisie, de stukken die Carolien Roelants al jaren geleden in deze krant schreef, de Persepolisboeken van Marjane Satrapi – zij lieten al lang weten: Iran is anders dan je denkt. Onder die sluiers verschuilen zich moderne vrouwen, sommige van die mannen hebben heel vrije denkbeelden.

Maar ja, dat is toch iets heel anders dan over straat lopen en weten: dit is Teheran. Daar waar ik nu ben. Die mooie platanen langs de straat vol druk verkeer. Die perken in het stadspark bomvol tulpen en violen – veel meer tulpen in een perk dan ik in Nederland ooit gezien heb – is de tulp niet eigenlijk Perzisch? Oh nee Turks. Nu ja, hij zou Perzisch kunnen zijn.

Ineens hoor je jezelf vaak het woord ‘Perzisch’ denken. Is er niet een lied dat In a Persian garden heet? En ben ik nu niet in een Perzische tuin en stroomt er geen water en geurt het niet naar rozen en zijn er geen prachtige met bloemen beschilderde koepels?

Allerlei dingen schieten je te binnen. Dat de Perzische keuken een geweldige reputatie heeft, bijvoorbeeld. Het woord ‘juwelenrijst’, gele rijst met een korstje en bestrooid met granaatappelpitten, dat is toch zeker wat daar op die borden ligt? De vrouw naast me in het bomvolle restaurant aan de rand van de bazaar in Teheran ziet me kijken. „Wilt u wat proberen?” vraagt ze en geeft de schaal door. „Graag”, glunder ik, om even later van het pittige, zeer verzorgde meisje dat mij en mijn reisgenote deze dag wegwijs maakt, te begrijpen dat dat ‘eigenlijk’ niet heel beleefd was – ik had eerst minstens twee keer moeten weigeren. Maar enfin, ik proef, ook de groene rijst met kruiden, de yoghurtdrank, de kebab, de pittige salades en ik kijk om me heen, naar al die sluiers, sommige zwart en lang, andere gekleurd en op ,miraculeuze wijze aan het achterhoofd bevestigd, naar die gazellenogen (ja echt), die gemanicuurde handen, die dure zonnebrillen. Duidelijk verliefde paartjes eten borden vol rijst, lachende vrouwen en druk pratende mannen werken enorme schaapsschenkels weg – het volle leven. Toevallig gesluierd, maar nu ja. Perzië!

Maar Perzië bestaat niet meer, Perzië zoals ik het nu bedenk is een verzinsel. ’s Avonds in een hotel zie ik op de televisie na een quiz het vrijheidsbeeld verschijnen, tegen een achtergrond van vlammen, Obama met vlammen, John Kerry met vlammen, een man die op straat neergeslagen wordt, teksten in het Farsi eronder en dramatische muziek erachter. „Ze,” zegt een man, en ‘ze’ zijn de mullahs, „hebben ook de televisie in handen.” Iemand zegt dat negentig procent van de bevolking de mullahs haat.

Op de lange grauwe weg tussen Teheran en Isfahan, met smakeloze steden, rommel en onafgebouwde huizen langs de kant, denk je heus niet steeds romantisch aan Perzië.

Een tourist is maar een dom wezen. Het kijkt zijn ogen uit, het is opgewonden, half verliefd, goedgelovig en achterdochtig tegelijk. Maar je moet ergens beginnen. En ergens is hier. Op weg naar Isfahan, tussen sprookje en werkelijkheid.