Haal die kunst toch van zijn sokkel, zegt Clark

Er worden deze maanden vier toneelstukjes opgevoerd in het Frans Hals Museum. Ze zijn geschreven door de Amerikaanse kunstenaar Than Hussein Clark (1981).

„Hello! My friends”, glimlacht de acteur in de schutterszaal. Hij buigt elegant richting een hoge hoed. „Do you realize how long I’ve been waiting outside? Henry? Nora?” De vrienden laten op zich wachten, intussen blijft de dandyeske acteur in rokkostuum met wandelstok doorpraten. Hij wacht, praat, ijsbeert, krijgt gezelschap van andere acteurs en zo ontspint zich een toneelstukje waarin wij, museumpubliek, zien hoe drie personages vrij naar toneelschrijver Henrik Ibsen worstelen met zichzelf en met het leven.

Toneelspel van Than Hussein Clark in Frans Halsmuseum.Foto Anja Dietmann

De hoofdpersoon in dit toneelstukje is… de hoed. Vier zulke toneelstukjes worden deze maanden opgevoerd in het Frans Hals Museum, geschreven door de Amerikaanse kunstenaar Than Hussein Clark (1981). Dit is zijn antwoord op een ingewikkelde vraag van het museum: of hij, als hedendaags kunstenaar, een dialoog met de oude kunst wilde aangaan.

Clark besloot drie meubelstukken annex sculpturen te ontwerpen die als tentoonstelling dienst doen en waar op zondagmiddagen toneelstukjes worden opgevoerd. De meubels zijn ‘tête-à-têtes’, gemodelleerd naar 19de-eeuwse tweezitbankjes waarop mensen – man en vrouw, of twee roddelende intrigantes – intiem konden praten. Clark zette ze neer bij een damesportret van Leo van Gestel (1913) en een mansportret door Cornelis van Haarlem (1585). De derde krijgt afwisselend een hoed (van schrijver Jacobus van Looy) en een sculpturale papegaai van kunstenaar Bauke Hoekstra in zijn midden. Psst, kun je nu de portretten toefluisteren die Clark in de sofa’s inbouwde, wat heb je mooie ogen.

Maar vergis je niet, dit zijn meer dan leuke bankjes of toneelstukjes. Hiermee wil Clark de passieve museumbezoeker activeren, een poging om autonoom museale kijkkaders te doorbreken. Clark vindt dat museumstukken te veel op een sokkel deftig staan te wezen. Die afstand verhindert dat je je als bezoeker ermee verbonden voelt. Het liefst had hij overal rijke gordijnen neergehangen zodat je je in een eeuwig bourgeois heden waant, maar in dit museum vol porselein en klokken was zo’n decor niet nodig. Dus ontwierp hij sofa’s, van hard staal in industriële vormen.

Kunst, sofa’s, eigenlijk moet je je geknakt neervlijen en een beetje wenen. Maar… wie durft? Dit zijn niet zomaar bankjes. De glimmende sculpturen zijn al aangezien voor restauratie- en klimaatbeheersingsapparaten, vertelde museumdirecteur Ann Demeester bij de opening. Zeker, in die toneelstukjes gebeurt echt wat. Maar doordeweeks, als de acteurs weg zijn, is het tegenovergestelde het geval. Zelfs de hoed, toch maar echt gewoon een hoed, wordt in Clarks opstelling eerder opgetild tot iets sacraals. Dat maakt de collectie eerder ontoegankelijker.