Column

Geen man die haar wou aanraken

De oude vrouw kijkt me woedend aan als ik haar keuken binnen kom. „Dit hier” – ze duwt haar bord met broccoli en vis van zich af – „is niet te eten. Doe dat kastje open en pak de appelmoes.” Haar lepel tikt nijdig tegen het glas terwijl ze het potje leegschept. De pendule op de schoorsteenmantel slaat traag galmend twaalf uur.

Een huisje van nog geen dertig vierkante meter in een dorp in Twente. De vorige keer vertelde ze dat ze hier haar hele leven gewoond heeft, vroeger met haar broers en zusjes, later alleen met haar moeder. „Ik zie je wel kijken hoor”, zegt ze. „Maar hier” – ze tikt tegen haar hoofd – „is alles in orde. En zet nou mijn bord maar onder de kraan. De koude kraan, hoor je.”

Ze kan bijna niet staan of lopen en daarom krijgt ze de warme maaltijden thuisbezorgd. Ik ben bij haar om te vragen hoe ze zich redt in tijden van minder hulpverlening, maar ik krijg de kans niet.

„Jij met je normale benen”, zegt ze. „Jij begrijpt niet wat ik heb doorgemaakt. Denk je dat ik geen man had willen hebben? Natuurlijk wou ik wel een man, maar zij wouden mij niet. Zo was het. Geen een die me ooit met een vinger heeft aangeraakt. Ze zeiden dat er geen toekomst in mij zat.”

Op haar tweede heeft ze polio gehad. Ze weet nog dat de dokter elke dag kwam om haar beentjes te masseren. En dat haar moeder zei: o, lieve heer, had ik het maar gehad. Daarna was er nooit meer een woord over gezegd.

Ze schuifelt achter haar looprek naar de huiskamer en laat zich – „au, au” – in haar stoel zakken. Op de lagere school werd ze gepest. Op haar werk, in de textielindustrie: gepest. „Helemaal toen ik cheffin was. Die meiden waren zo verschrikkelijk brutaal.”

Ze zwijgt een poosje en ik vraag waarom ze het mij vertelt, een vreemde. Ze kijkt me verbaasd aan. „Aan wie anders? Er komt hier toch helemaal nooit meer iemand. Mijn broers en zusters – allemaal dood. Vriendinnen heb ik nooit gehad. Die wouden mij ook niet.”

Ze wappert met haar hand naar de televisie in de hoek van de kamer. „Daar praten ze alle avonden over ziekte en dood en al die dingen. En nou praat ik er ook over. Ik zou” – haar gezicht vertrekt weer van woede – „ het wel willen uitschreeuwen. MENSEN, LUISTER OOK EEN KEER NAAR MIJ. Dan zouden ze begrijpen waarom ik zo doe.”

„En de thuiszorg dan”, zeg ik. „U krijgt toch thuiszorg?”

„Drie keer in de week”, zegt ze. „Eerst was het vijf keer, dus tegen die vrouwen doe ik vriendelijk. Ja zuster, graag zuster. Anders laten ze me straks helemaal zitten.”