Eerst actie, dan melancholie bij Haasnoot

Katwijk is nooit ver weg in de romans van Robert Haasnoot (1961). Hij situeerde er Steenkind (1999), Waanzee (2002) en De heugling (2005) een trilogie over godsdienstwaanzin, en het semi-autobiografische Het ruime bed (2012), over een rouwende man in een huwelijkscrisis. Ook Het laatste vaarwel speelt in Katwijk, of althans in Valkenburg, een woonkern nabij Katwijk.

Valkenburg (van de vliegbasis) is zo’n plek die een zwarte bladzijde kent. Toen gedesoriënteerde Duitse soldaten er in mei 1940 een veilig heenkomen zochten werden ze door Nederlandse artilleristen driest onder vuur genomen, met veel burgerslachtoffers tot gevolg. Haasnoot laat tegen deze achtergrond een liefdesgeschiedenis ontstaan. Tienerjongen Albert vlucht tijdens het wapengekletter het huis uit, laat zijn moeder achter en belandt met het meisje Evie in een in allerijl opgericht hospitaal. Tussen de inslaande granaten en stervende burgers beleven ze hun inwijding in de liefde.

Haasnoot lardeert oorlogstoestanden met passages die een kleine dertig jaar later spelen. Albert is organist geworden en is in Valkenburg blijven wonen, Evie woont al jaren in Amerika en keert voor even terug naar de plek van haar jeugd. Ze vinden elkaar nog steeds lief. Dat moge ideaal klinken, een belangrijk thema van Het laatste vaarwel is echter ‘verboden liefde’. Niet alleen is Evie getrouwd en dient er met Albert dus heimelijk geminnekoosd te worden, ook Evies man houdt er een minnares op na. De jonge Albert wordt intussen geplaagd door de bezoekjes die Remmerswaal, een bemiddelde, esoterisch man, aan zijn alleenstaande moeder brengt. Deze ontmoetingen vinden achter gesloten deuren plaats, de twee drukken zelfs een propje papier in het sleutelgat om zich aan het afgunstige oog van Albert te onttrekken.

Een recensent van deze krant merkte eens op dat Haasnoots romans spannende en subtiel geschreven verhalen zijn, waaronder allerlei anders verborgen gaat. Het laatste vaarwel is van hetzelfde laken een pak. Allereerst is er actie en tendresse, en daaronder melancholie en de Freudiaanse thematiek van de zoon die zijn moeder voor zichzelf wil houden.

Aan de gedegen geschreven handelingen voegt Haasnoot vaak een verheffend detail toe. Als Remmerswaal weer eens aan de poort rammelt, staat er: ‘Zijn magere gezicht lichtte overdreven vertederd op, alsof we minstens familie waren en elkaar in geen jaren hadden gezien. De ogen achter brillenglazen dreven op me af. Bekeken me van top tot teen. O wat was ik groot geworden! Hij kon er maar niet over uit.’

Deze vijf zinnen verraden (a): wat Remmerswaal wil en (b): hoe Albert in elkaar steekt. Het laatste vaarwel heeft qua melancholie wel wat weg van De langste nacht en Als de winter voorbij is, de laatste, sterke romans van Otto de Kat en Thomas Verbogt. Het ontbeert net die vonk die die twee boeken zo prijzenswaardig maakt, maar Haasnoot schrijft te goed om hem te negeren.