Een soapachtige roman

De idioot en de tederheid is een uiterst slim gecomponeerde roman van de Vlaamse schrijver Yannick Dangre. Over een familie van middenstanders bij wie alles om geld draait, maar die ook zachte ketenen kent.

Tekening Paul van der Steen

Alle recensies van gezinsromans (gelukkig én ongelukkig) lijken op elkaar: vroeg of laat komt Tolstoj om de hoek kijken. Vandaar dat Yannick Dangre op pagina 107 van De idioot en de tederheid zelf maar over Anna Karenina begint. Door te stellen dat het ongelukkige gezin ‘ongelukkig was op geheel eigen wijze’ gaf Tolstoj zijn lezers houvast, stelt Dangre. ‘Hij verklaarde het ongelukkige gezin heilig en uniek. Dat was een simpele maar briljante kunstgreep, waardoor de mens voor het eerst in de geschiedenis niet meer reddeloos verloren was als hij zich niet kon vastklampen aan goden of geluk. Sinds Anna Karenina hoeft de mens zich alleen nog vast te klampen aan de originaliteit van zijn eigen ongeluk.’

Het is, uiteraard, een programmatische passage. Want wat de 27-jarige Dangre in zijn derde roman wil laten zien, is hoe een familie voornamelijk door ongeluk bijeen wordt gehouden – een thema dat hij vaker ter hand nam. In zijn vorige roman, Maartse dagen, zaten twee oudere homoseksuele mannen in haat, nijd en liefde aan elkaar geketend. Ditmaal doet hij het met een groter gezelschap.

In de eerste plaats zijn er Pa en Ma, een Limburgs paar dat naar Utrecht is getrokken en daar in de jaren zeventig een kruidenierszaak is begonnen. Zij neigt tot klagerigheid, hij verenigt een natuurlijke charme met een reeks minder prettige neigingen: sjoemelen, slaan, ontrouw.

Er zijn vier kinderen: de laagbegaafde oudste zoon Johan, dochter Patricia en de broers Frank en Arthur. Plus de partners van de kinderen en enkele kleinkinderen. En twee honden.

Het verhaal, dat wordt verteld vanuit het perspectief van Arthur, de jongste zoon, heeft aanvankelijk vooral in de vader zijn voornaamste stoorzender. Niet alleen legt deze het aan met het winkelmeisje en een lange stoet minder zichtbare vrouwen, hij heerst ook als een despoot over het gezin. Hij slaat en schreeuwt en grijpt elke gelegenheid aan om zijn echtgenote (‘met haar zure kop’) te vernederen.

Pas als de kinderen bijna volwassen zijn, wordt de boeman met vereende krachten (zwijgen aan tafel, vies eten koken, de zaak meteen sluiten als Pa de deur uit is) het huis uitgedreven. Hij keert pas weer terug in het leven van zijn gezin als de broers Arthur en Frank de kruidenierszaak hebben verkocht en een rijwielhandel hebben overgenomen. Dan begint hij zijn zoons af te persen. Hij wil maandelijks geld uit de kassa en dreigt anders de winkel kort en klein te slaan. Op een slechte nacht staat hij daadwerkelijk met een voorhamer op de stoep.

Later – al lopen de verhaallijnen door elkaar heen in deze slim gecomponeerde roman – zijn het vooral de strubbelingen tussen de fietsenmakende broers die de familiebanden op de proef stellen: Arthur verdenkt Frank ervan een groot deel van de inkomsten van de winkel in te pikken; zelf heeft hij in vijftien jaar vennootschap nooit een blik in de boeken geworpen. Om dat sluimerende conflict heen, doet Dangre nog een hele reeks gebeurtenissen uit de doeken die de eenheid-in-ongeluk van dit gezin hebben bepaald, zoals de bijna-verdrinking van een kleinkind, leukemie bij een ander, schoonzusjes die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en de geplaagde jeugd van Arthurs vriendin Jessica.

Soms duikt wel het cliché op

Die veelheid aan voorvallen geeft De idioot en de tederheid soms een wat soapachtig karakter: het leest soepel, maar de tocht langs de grote momenten in dertig jaar familieleven bevat ook scènes waarin het cliché de kop op steekt. Bijvoorbeeld wanneer een boze schoonzus Arthur toebijt: ‘Je moet me gewoon niet, je hebt me misschien wel nooit gemogen.’ Uit het leven gegrepen, maar Dangre stuit hier op de nadelen van het literair realisme: een boek moet ook weer niet al te veel op de wereld gaan lijken. In de context van deze roman: de verstikking van het familieleven slaat soms ook op de lezer over.

Daar komt bij dat deze roman veel minder barok is geschreven dan Dangres vorige romans. Zijn liefde voor stilistische uitbundigheid – hij had in eerder werk wel iets weg van van een kleine Proust – heeft hij weinig ruimte gegeven, de zinnen die je in dit boek aanstreept, tonen vooral een sterk observatievermogen. Zo wordt de gehele moedeloosheid van de moeder samengebald in de mooie zin: ‘Ze struikelde even over een stripalbum en vloekte, maar raapte het niet op.’

Heel Nederlands

De verbale zuinigheid van Dangre, een Vlaamse schrijver met een Nederlandse moeder die al jaren in Nederland woont, hangt misschien samen met het feit dat hij met De idioot en de tederheid een uitgesproken Nederlandse roman heeft geschreven. Over middenstanders die elkaar toespreken met een botheid die je in Vlaanderen niet snel aantreft. Saillant is ook de sturende werking van geld. Steeds worden de familieruzies aangejaagd door geldzaken – of de financiële twist is de vorm waarin al langer bestaande haat en nijd aan de oppervlakte komen.

De idioot en de tederheid is een roman die verre van perfect is. Je zou willen dat de alomtegenwoordige gewoonheid in de stijl wat meer tegenwicht had gekregen, vooral omdat Dangre bewezen heeft met zoveel Schwung te kunnen formuleren. Daar tegenover staat dat het slot van de roman zeer overtuigend is. Dan blijkt Dangre vrijwel alle familieleden haarscherp getekend te hebben, waarbij het vooral de moeite loont om de daden van de verguisde vader nog eens precies onder de loep te nemen.

Uiteindelijk laat Dangre, Tolstoj indachtig, precies zien hoe zijn hoofdfiguren in hun ongeluk aan elkaar gebonden zijn. Daarbij hoort de overtuiging dat al het individuele ongeluk van de familieleden om een gezamenlijke oplossing vraagt. De roman is zo een liefdevolle evocatie van de onvrijheid én geborgenheid die het familieleven kennelijk is. Waarbij hij er overigens aan het slot geen misverstand over laat bestaan dat het ware geluk slechts is weggelegd voor degene die die zachte ketenen weet te verbreken.