Brussel rouwt, maar zwartepieten gaat door

Een mars om de doden te herdenken. Maar ook een platform voor politieke verwijten.

Bloemen en kaarsen tijdens de Mars tegen Terreur en Haat in Brussel. Foto Virginia Mayo/AP

‘IS rot op, Brussel is niet van jou”, scandeert een vrouw onder een spandoek met de tekst ‘Allen voor Molenbeek!’ Op een plein in de Brusselse gemeente staan ruim vijfhonderd mensen klaar om zich aan te sluiten bij de grote Mars tegen Terreur en Haat, die even later langs het kanaal trekt dat Molenbeek van het centrum van de Belgische hoofdstad scheidt.

Vier weken na de aanslagen op vliegveld Zaventem en metrostation Maalbeek, op 22 maart, komt België zondag voor het eerst massaal op straat om eer te betonen aan de slachtoffers. De organisatoren – die ruim 160 verschillende burgerbewegingen vertegenwoordigen – hadden vooraf gehoopt op 15.000 betogers. Maar als de stoet in de namiddag in het Brusselse centrum arriveert, telt de politie slechts 7.000 mensen.

Niet stigmatiseren

„We zijn in diversiteit verenigd, dat is onze boodschap aan hen die ons willen splijten”, zegt Ahmed El Khannouss, wethouder in Molenbeek. ‘Broedplaats van terroristen’ werd de bijnaam van zijn gemeente, waar veel mannen uit de Parijs-Brusselse terreurcel opgroeiden. Maar men heeft Molenbeek volgens El Khannouss „ten onrechte gedemoniseerd”. De meeste van ‘zijn’ Molenbekers „verafschuwen de aanslagen en de IS-terreur”.

De „stigmatisering van Molenbeek is onterecht”, zegt ook Hans Vandecandelaere, die meeloopt in de stoet. Als schrijver van het boek In Molenbeek ergert hij zich aan politici als Jan Jambon. De minister van Binnenlandse Zaken riep namens de Vlaams-nationalistische en liberaal-conservatieve partij N-VA onlangs op tot het „opkuisen van Molenbeek”.

Volgens Vandecandelaere komen de terroristen voort uit gesloten, stedelijke subculturen met criminele verbanden. „Vaak heerst in die groepen de zwijgplicht en weet de gemeenschap weinig van hen, maar desondanks blijven politici als Jambon heel Molenbeek en ‘de’ moslims stigmatiseren.”

Zaterdag, een dag voor de mars, zei minister Jambon in een interview met de krant De Standaard dat „een significant deel van de moslimgemeenschap” naar aanleiding van de aanslagen in Brussel zou hebben „gedanst”.

Het effect van het interview blijkt een etmaal later, als zijn partijgenoot Peter De Roover, fractieleider van N-VA, zich opstelt in de kop van de mars. Dat De Roover, geflankeerd door andere N-VA-kopstukken, meeloopt, wordt door sommige omstanders niet gewaardeerd. „Jullie regering is racistisch!”, schreeuwt een man onophoudelijk in het oor van De Roover.

„Die stalker heeft dat twee kilometer lang volgehouden”, zegt De Roover als hij rond drie uur ’s middags, zichtbaar aangeslagen, even pauze houdt. De politie heeft de schreeuwende man dan net verwijderd. De Roover hoopt dat de mars ook als een politieke alarmbel zal werken. „Ik eis geen persoonlijke afrekeningen met politici die al dan niet verantwoordelijk zijn voor de problemen van vandaag. Maar ik eis wel een afrekening met de cultuur van het wegkijken.”

Liever géén politici prominent in de stoet, „want de politiek heeft te veel geblunderd” – zo luidde vooraf de wens van de organisatie.

Maar Jambons uithaal naar „dansende moslims” die de aanslagen zouden hebben gevierd zorgen voor felle discussies in de mars.

Ze zullen ons nooit accepteren

„Wat de minister zegt, is onaanvaardbaar”, zegt Rik Coolsaet, hoogleraar politicologie in Gent, die met de groep uit Molenbeek meeloopt. Coolsaet, die in zijn laatste boek schreef over de aantrekkingskracht van IS op Europese jongeren, houdt geregeld lezingen voor moslimorganisaties in Molenbeek. „Telkens hoor ik ze zeggen: ‘Professor, hoevéél we ons best ook doen, ze zullen ons nóóit als echte Belgen accepteren.’”

Volgens Coolsaet kun je de „mentale reikwijdte” van IS niet bevatten „zonder ook te begrijpen waarom IS zo’n weerklank heeft in de straten van onze westerse steden.” Jongens die zich aansluiten bij IS hebben volgens hem „niks te verliezen en alles te winnen”. Coolsaet: „Hun uiterste daad, de bomgordel om en richting aanslag, toont hun wanhoop aan – ‘ik hoor hier toch niet thuis’. Maar ze geloven tegelijk dat hun daad echt betekenis geeft aan hun leven.”

Als in de namiddag de mars arriveert bij het Fontainasplein, het eindpunt van de mars dichtbij de Beurs in Brussel, houdt Bader – geboren in Brussel uit Marokkaanse ouders – halt op de stoep. „De politiek is nu aan zet”, zegt de beveiligingsbeambte bij de Belgische spoorwegen. „Mijn kinderen zijn nog tieners, ik hou mijn hart vast. De twintigers zijn nu de probleemgevallen: voor die gasten is geen plaats in deze maatschappij. En dat laten we gewoon gebeuren, hier, in Europa’s hoofdstad.”