Column

Abou Jahjah

Als ik directeur van De Bezige Bij was, zou ik dan Dyab Abou Jahjah willen uitgeven? Het is een vraag waar je niet aan ontkomt als je je verdiept in de zoveelste affaire waarvan Abou Jahjah het middelpunt is.

In Nederland waren we hem enigszins uit het oog verloren, deze man die in 2000 in Antwerpen de Arabisch-Europese Liga (AEL) oprichtte, een organisatie die de belangen van Arabische en islamitische immigrantengemeenschappen in Europa wilde behartigen.

Hij deed tal van controversiële uitspraken. Hij had „een gevoel van victorie” bij 9/11, hij was sympathisant van Hezbollah, noemde Antwerpen de „internationale hoofdstad van de zionistische lobby” en burgemeester Bart De Wever een „zionistenpijper”, hij was aanwezig bij betogingen waar de Israëlische vlag werd verbrand en hij verdedigde nog in 2014 in Vrij Nederland de vergelijking van de Israëlische vlag met het hakenkruis van de nazi’s: „Het kan voor jullie vreemd lijken, maar voor veel mensen van Arabische origine is de vergelijking tussen Israël en nazi’s helemaal niet zo choquerend.”

In 2003 mocht ik hem al eens van nabij meemaken, toen hij een Marokkaans buurthuis in Utrecht bezocht. „We willen Israël als zionistische entiteit ontmantelen”, had hij daarvoor gezegd. De bestuursleden van de Nederlandse tak van de AEL zeiden het hem in Utrecht na. Een van hen had kort tevoren in NRC Handelsblad gezegd dat zij de antisemitische leus „Hamas, Hamas, joden aan het gas” niet afkeurde.

Met dergelijke mensen omringde Abou Jahjah zich, ik herinner het me als een troebel groepje fanatici. Inmiddels zou Abou Jahjah een mildere man zijn geworden – dat wil hij in ieder geval uitstralen – maar is dat ook zo? Heeft hij duidelijk afstand genomen van uitspraken en opvattingen uit zijn activistische verleden?

Ik ben er nog geen voorbeeld van tegengekomen, al noemde hij zijn uitspraak over De Wever achteraf in Vrij Nederland „wansmakelijk” en veranderde hij de „zionistenpijper” in „zionistenknechtje”, wat ik geen overtuigende vorm van matiging zou willen noemen.

Is hij, net als veel fanatieke antizionisten, een antisemiet, zoals drie auteurs van De Bezige Bij – Jessica Durlacher, Leon de Winter en Marcel Möring – hem beschouwen? Dat is moeilijk te bewijzen, omdat hij slim en verbaal handig genoeg is om uitingen van onversneden antisemitisme te vermijden. Maar hij heeft wel de schijn sterk tegen, zó sterk dat ik me de bezwaren van deze auteurs goed kan voorstellen. Zij zullen deze collega straks op de feestjes van hun uitgever lijfelijk tegenkomen. Zij zullen voortaan samen met hem het culturele kapitaal van deze uitgever vormen.

Maar het vrije woord dan, zal men tegenwerpen, komt dit niet in gevaar door de opstelling van die drie auteurs? Ik zie niet in waarom.

Iedere uitgever staat het vrij om auteurs die hij slecht vindt of wantrouwt te weigeren. Zulke auteurs kunnen hun werk kwijt bij andere uitgevers, op internet of in eigen beheer. En andere auteurs kunnen in alle vrijheid de beslissing nemen of zij nog langer bij een uitgever willen publiceren, die auteurs uitgeeft naast wie ze straks liever niet stralend op de groepsfoto staan.

Als ik uitgever was, zou ik Abou Jahjah naar een uitgever doorverwijzen die net zo’n grote hekel aan ‘zionisten’ heeft als hij.