‘Dat wij elkaar herkenden. Wij, twee skeletten’

Nanette König-Blitz (87) is pas op haar zeventigste over de oorlog gaan praten. Over de Jodenvervolging, de kampen, haar vriendschap met Anne Frank, tot haar laatste dagen. ‘Mensen leren niets, helemaal niets van het verleden.’

Gabriel Rinaldi

“Dat paspoort moet ik hebben, waarom kan ik dat ding nu niet vinden?” Nanette König-Blitz (87) doorzoekt een grote zwarte map met oude brieven, ansichtkaarten en notities. Haar vingers gaan door vergeelde documenten waarin in een keurig schuin handschrift wordt geïnformeerd naar verdwenen familieleden. Ze bestudeert vluchtig een postkaart. Door de uitgelopen inkt is nog net een adres in Amsterdam te lezen. Ze buigt zich over een envelop met een postzegel van Adolf Hitler, verzonden uit het concentratiekamp Bergen-Belsen. Nanette König-Blitz is geïrriteerd. Waar is haar oude paspoort?

„Mijn vader had dat paspoort geregeld omdat wij op de zogenoemde Palestinalijst waren geplaatst. Dat was een lijst voor een groep joden die geruild zou worden tegen Duitse krijgsgevangenen in Palestina. Mijn vader probeerde van alles om ons uit handen van de Duitsers te redden. Mijn moeder was geboren in Zuid-Afrika en hij was eerder al bezig geweest om haar geboortebewijs vanuit Afrika naar Nederland te krijgen in de hoop daarmee de Duitsers wijs te maken dat ze niet joods was.” Ze legt de map weg. Eerst koffie. Terwijl ze inschenkt, moppert ze over de politieke situatie in Brazilië. Sinds ze in 1950 met haar Hongaars-joodse echtgenoot hiernaartoe emigreerde, is dit haar land.

Nanette König-Blitz draagt een roze blouse, parelmoeren ketting, rode lippenstift. Na 66 jaar in Brazilië spreekt ze nog steeds accentloos en bijna deftig Nederlands, zoals alleen de leden van het koningshuis dat nog doen. Vol energie vertelt ze over haar leven. Hoe ze opgroeide in een joods gezin in het Amsterdam-Zuid van de jaren dertig, als dochter van een bankdirecteur. „Mijn vader zei altijd: ik ben directeur van een bank, en ik ben jood, dat kan dus. Daar pronkte hij dan mee, een rasoptimist was hij. Zelfs toen duidelijk werd dat we niet gered zouden worden, geloofde hij nog dat het zou lukken.” Opnieuw rommelt ze in haar papieren en door oude schoolfoto’s. Nanette als tiener in de schoolbanken. Het haar strak in een scheiding, de armen keurig over elkaar gevouwen.

„Ik was elf toen de oorlog uitbrak. Joodse kinderen moesten van de Duitsers verplicht naar aparte scholen en dus werd ik overgeplaatst naar het Joods Lyceum. Daar kwam ik in de klas bij Anne Frank.”

Waren Anne Frank en u goed bevriend?

„We waren klasgenoten. Ook bevriend, maar geen hartsvriendinnen. Anne beklaagde zich in haar dagboek zelfs over mij. Ik kletste te veel, schreef ze.”

Ze schiet ervan in de lach. „Anne was veel verder dan ik was. Ze was enorm intelligent, viel op, en ze was al geïnteresseerd in jongens, terwijl ik me daar toen nog helemaal niet mee bezighield. Ik werd wel uitgenodigd voor haar dertiende verjaardag. Haar vader Otto draaide toen een speelfilm, op zo’n oude projector, wat een sensatie was dat! Het dagboek heeft ze op die verjaardag gekregen. Het lag op een tafeltje, herinner ik me. Schrijven kon ze, en dat wilde ze ook, schrijfster worden. Dat wist ze toen al.”

Wist u later dat ze ondergedoken zat?

„Nee, dat wist ik niet. Niemand wist dat. Onze klas was wel heel hecht. We leefden in een bijzondere tijd, en dat realiseerden we ons maar al te goed. Daar ontkwamen we ook niet aan. Stel je voor, in het eerste jaar zaten er dertig kinderen in de klas, een jaar later nog geen zestien. De een na de ander verdween. Opgepakt door de Duitsers, ondergedoken of afgevoerd naar de kampen. De klas werd steeds leger, de lessen steeds stiller.”

In 1943 wordt Nanette met haar familie eerst naar Westerbork getransporteerd en later naar Bergen-Belsen. Haar vader overlijdt door uitputting aan een hartinfarct, haar moeder en broertje worden naar andere kampen gebracht. De herinneringen aan Bergen-Belsen beschreef Nanette onlangs in haar boek. Ik overleefde de Holocaust, geschreven in het Portugees, is uitgegeven in Brazilië. Ze beschrijft haar herinneringen aan de gruwelen van het kamp. Over Josef Kramer, de wrede kampcommandant met als bijnaam ‘het beest van Bergen-Belsen’. Over de keer dat ze uit de rij werd gehaald tijdens het appèl en doodsangsten uitstond. Ze beschrijft de geluiden ’s nachts in de barakken. Jammerende, stervende mensen. En over die keer dat ze door het prikkeldraad in het naastgelegen grotere vrouwenkamp keek en ineens een oude klasgenoot herkende. Het was Anne Frank.

U zag elkaar in het concentratiekamp?

„Ja, het was ongelofelijk. Er waren twee vrouwenkampen naast elkaar. Daartussen zat prikkeldraad. Ineens zag ik hen beiden lopen, Anne en haar oudere zus Margot. Anne was zwaar vermagerd, zat onder de luizen en ze had een deken om zich heen. Nog steeds denk ik: hoe is het mogelijk dat we elkaar herkenden. Wij, twee skeletten. Niet meer dan dertig kilo wogen we.

„Ik ben onder het prikkeldraad door gekropen en stiekem naar haar toe gegaan. Anne vertelde hoe haar leven was gelopen. Hoe ze waren ondergedoken en verraden, en over Auschwitz waar ze vóór Bergen-Belsen had gezeten. Ook vertelde ze over haar dagboek. Ze wilde dat gebruiken als bron voor een roman. Het was nooit haar idee om het dagboek uit te brengen.”

‘Ze zeiden: praat niet over de oorlog, dan gaat het vanzelf weg’

De ontmoetingen met Anne Frank in Bergen-Belsen gingen door, tot aan Annes overlijden. De twee klasgenoten praatten veel.

„We hadden het dan over ‘later’. Ondanks onze situatie waren we ook vooral jonge meiden die dromen hadden en fantaseerden over de toekomst. Anne werd ziek, ze kreeg tyfus. Ik was er niet bij toen ze overleed, ik hoorde het pas een paar dagen later.”

Ze is even stil. In haar ruime vrijstaande woning, midden in de metropool Sao Paulo, verwijzen de spullen naar haar wortels. Een Hollandse molen, een menora: de zevenarmige Joodse kandelaar. In de boekenkast literatuur over Jeruzalem, over de geschiedenis van de Nederlanders in Brazilië en een kunstboek met werk van Gustav Klimt.

„Kijk hier, een brief van Otto Frank, Annes vader, van oktober 1945, na de oorlog. Hij informeert naar mijn ontmoeting met Anne en Margot in Bergen-Belsen.” Hardop leest ze: „‘Heb je hen ook nog de laatsten tijd gezien, toen zij ziek werden? Ik zou hierover gaarne iets nader van je vernemen’.” Aan de achterkant in een kleiner plastic mapje valt haar oog nu op het vermiste paspoort. „Ach hier! Zie je, met een stempel uit 1942. Maar helaas zijn we nooit geruild voor Duitse krijgsgevangenen.”

Als de Engelsen Bergen-Belsen bevrijden heeft ook Nanette tyfus, ze wordt per vliegtuig naar Nederland vervoerd. Drie jaar lang blijft ze in een sanatorium, daarna gaat ze naar opgespoorde familie van haar moeder, in Engeland. Daar leert ze haar man kennen, die met zijn familie uit Hongarije is gevlucht en in Brazilië een nieuw leven wil opbouwen. Nanette gaat mee. Jarenlang staat haar leven in dienst van het gezin.

„Ik was zeventig en toen begon het. De oorlog, het verleden, het moest eruit. Ik wilde erover praten. Toen ik na de oorlog naar Engeland ging, zei mijn familie daar: praat niet over de oorlog, dan gaat het vanzelf weg. Maar zo werkt het niet. Al jaren praat ik er nu over. Ik ga naar scholen in Brazilië, naar buurthuizen, de wijken in. Ik vertel over wat ik heb meegemaakt, over Anne Frank en haar dagboek. De Tweede Wereldoorlog zegt Braziliaanse jongeren niets. Maar wat ze wel begrijpen is uitsluiting, want dat is waar het verhaal van de Jodenvervolging over gaat. We werden vergast omdat we uitgesloten werden, als minder werden gezien.”

Ze pakt haar Jodenster uit een stoffen zakje en houdt hem plat tegen haar borst. „Kijk, en dan moesten we die zo dragen.” Het geel van de ster vloekt tegen de roze glimmende blouse.

„Als ik de sloppenwijken in trek en over de oorlog en de kampen vertel, voel ik veel meer aansluiting met de mensen daar, dan wanneer ik het aan de rijken vertel. Bewoners van de favela’s weten wat uitsluiting is, ze maken het iedere dag mee. Ze worden buitengesloten omdat ze zwart zijn, of uit het achtergestelde noordoosten komen, of puur omdat ze arm zijn. Zíj begrijpen de Jodenvervolging veel beter dan de elite.”

Zelfs nu nog, op haar 87ste, reist Nanette König-Blitz door heel Brazilië. Omdat het haar plicht is, vindt ze. Met afgrijzen volgt ze de gebeurtenissen in Nederland. „Wat er daar met de islamieten gebeurt, lijkt op wat wij Joden hebben meegemaakt. Je wordt in een hoek gedrukt en geïsoleerd. Mensen weten ook zo weinig. Wat weten ze nou over elkaar of over elkaars cultuur of religie? Het Jodendom ligt aan de basis van het christendom en de islam, maar mensen zijn zo onwetend, en ongeïnteresseerd. Ze vragen nooit: hé, wie ben jij eigenlijk, hoe zit jouw cultuur in elkaar? Mensen leren niets, helemaal niets van het verleden.”

De map gaat dicht, haar boek terug in de kast. Binnenkort reist Nanette Blitz-König er helemaal mee naar Colombia om ook daar over de Holocaust te vertellen. Ze voelt zich ook de stem van de mensen die het niet meer kunnen navertellen. Of ze het wil of niet, ze moet blijven praten. Want uiteindelijk is ze toch ook maar een „toevallige overlevende”.