We maken nu 1,4 planeet op, dat kan zo niet verder

Met het internationale Klimaatverdrag, dat vrijdag wordt ondertekend, zijn we er nog lang niet, zegt Hans Bruyninckx, die het Europees milieuagentschap in Kopenhagen leidt. „We moeten anders gaan denken als we willen dat natuurlijk systeem niet instort.”

Hans Bruyninckx: „Jenga, het spel met die stapel blokjes waar je er steeds één tussenuit haalt, gaat lang goed, totdat door één blokje het hele systeem instort.” Foto Nikolai Linares

Je moet héél anders gaan denken over het milieu, zegt Hans Bruyninckx. Laat hij een voorbeeld geven uit de tijd dat hij lesgaf in Wageningen. „Fietsend op de dijk zie je de uiterwaarden. Dan begrijp je hoe belangrijk die zijn voor het complete ecosysteem.” Je kunt uit een rivier wel keurig alle chemicaliën verwijderen, maar daarmee krijg je volgens de directeur van het Europees Milieuagentschap nog geen sterke biodiversiteit. „Meanderen rivieren en beken door het landschap of zijn ze gekanaliseerd? Dat maakt verschil, ook als je niet meteen ziek wordt als je van het water zou drinken. Het gaat om de waterloop in verbinding met omliggende gebieden, of dat landbouwgrond is of bos, snel of langzaam stromend, met een groot reliëf of vlak.”

Met het oplossen van één milieuprobleem, zoals ‘schoon water’, ben je er dus niet, wil Bruyninckx maar zeggen. Het gaat om de samenhang.

Precies hetzelfde geldt voor het klimaatverdrag, dat vrijdag ceremonieel wordt ondertekend in New York. Dat is een baanbrekend verdrag, vorig jaar in Parijs beklonken na decennia onderhandelen. Het moet klimaatverandering tegengaan door het wereldwijd terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Maar het is tegelijkertijd maar één probleem minder, dat je niet in isolement kunt zien.

Klimaatverandering, droogte, schaarste aan grondstoffen, armoede, bevolkingsgroei, conflicten, honger – ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. „Het debat over een duurzame samenleving gaat óók over de vluchtelingenstroom uit Syrië”, zegt Bruyninckx in het statige gebouw aan Kongens Nytorv in het centrum van Kopenhagen, waar het Europese milieuagentschap is gehuisvest.

Zijn benoeming, drie jaar geleden, leidde tot verbaasde reacties. Wat moet iemand die politieke wetenschappen studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven, als directeur van een milieuagentschap? Waarom geen ecoloog of bioloog? Voor Bruyninckx zelf was de keuze logisch. Niet dat hij geen belangstelling heeft voor de natuur, in tegendeel. Maar altijd in een grotere context.

Nog een voorbeeld. „Op de grens tussen Nederland en Vlaanderen leven salamanders die bedreigd worden door een schimmel”, zegt Bruyninckx. „Toen ik daar een keer over sprak, vroeg iemand: ‘Maar is dat nu zo erg?’ Ja, dat is erg. Want zoiets zegt iets over het hele ecosysteem. Dat geldt ook in het groot, voor de koolstofeconomie in de wereld. Het is onzin te denken dat je sterke oplossingen kunt maken gebaseerd op een zwakke natuur. „Kent u het spelletje Jenga, met die opgestapelde blokjes waar je er steeds één tussenuit moet halen? Dat gaat heel lang goed, totdat uiteindelijk door één blokje het hele systeem instort.”

Nog niet zo lang geleden werd ‘duurzame ontwikkeling’ simpelweg gezien als een nieuwe, groene pijler onder de economie. „En ieder jaar zouden we dan keurig becijferen hoeveel groener we waren geworden.”

Maar onder Bruyninckx’ leiding werd het agentschap meer dan een ‘groene boekhouder’. De Europese politici hebben een helder doel geformuleerd: ‘goed leven, binnen de grenzen van onze planeet’. Het agentschap geeft die wijde grenzen aan.

Die manier van denken betekende een keerpunt, zegt hij. „Milieubeleid is ontstaan in de jaren zestig en zeventig en was dus geënt op de problemen van toen: industriële vervuiling en inefficiënt gebruik van grondstoffen. Op die gebieden is veel bereikt. Maar intussen gaan de biodiversiteit en de ecosystemen in Europa nog steeds achteruit. Ons ‘natuurlijk kapitaal’ is in gevaar. Dat vraagt om een radicaal andere aanpak.”

Is onze manier van leven onhoudbaar?

„Ja. Een filter op een schoorsteen, een woning isoleren is op zichzelf nog geen revolutie, ook al waren dat destijds doorbraken. Maar nu moeten we een nieuwe samenleving bouwen. Met een compleet ander energiesysteem, nieuwe soorten mobiliteit, andere woonvormen.”

Hoe overtuig je mensen van de noodzaak om te veranderen?

„Wat je in ieder geval niet moet doen, is zeggen dat het allemaal win-win-win zal zijn. Dat is niet zo. Tijden veranderen, sommige industrieën kunnen zich aanpassen en andere niet. Ik ben opgegroeid in de buurt van Antwerpen, in de Wagenmakersstraat. Er is daar ook een Kuipersstraat. Die straten bestaan nog steeds, maar de wagenmakers en de kuipers zijn verdwenen. Dat wil echter niet zeggen dat de samenleving onderuit is gegaan.

„Nu staat bijvoorbeeld de energiesector voor een gigantische opgave. Bedrijven die volledig gebaseerd zijn op fossiele brandstoffen zullen misschien niet overleven. En als ze er wel in slagen, is het de vraag in welke vorm ze verder gaan. We moeten een richting vinden en met horten en stoten die kant op gaan. En ons aanpassen. Het naïeve verhaal helpt niet.”

In het laatste grote rapport van uw agentschap kijkt u vooruit naar 2050. Is dat niet een te verre horizon?

„Nee, het is morgen. De kolencentrale die we vandaag bouwen, staat er dan nog steeds. In 2050 is de wereldeconomie verdrievoudigd, het grondstofgebruik meer dan verdubbeld. Dat valt niet te rijmen met de ‘grenzen van de planeet’.”

U noemt het idee van planetaire grenzen moeilijk te bevatten.

„We moeten het doen met een term als ‘ecologische voetafdruk’ en ‘earth overshoot day’ [de dag in het jaar waarop de mensheid net zoveel hulpbronnen als water en bodemkwaliteit, heeft gebruikt als de aarde in één jaar kan verversen, red.], die ieder jaar eerder komt. We zeggen: als iedereen zou leven als een Europeaan hebben we drie planeten nodig. Of: de mensheid gebruikt per jaar nu 1,4 planeten. Maar dat is natuurlijk nonsens. Want waar is dan die 0,4 planeet? Die is er niet. En toch gaat het leven gewoon door.

„Sinds de jaren zestig en zeventig is onze kennis gegroeid en hebben we de gevaren ontdekt. Denk bijvoorbeeld aan het gat in de ozonlaag. We zijn dicht bij een catastrofe geweest. Inmiddels begrijpen we veel beter de onomkeerbaarheid van sommige processen en de samenhang ertussen.

„Of het nu gaat om het koolstofbudget, het stikstofgebruik – er is een bepaalde ruimte waar we binnen moeten blijven. Dan kunnen we nog steeds te maken krijgen met turbulenties en veranderingen. Maar daarvan denken we, dat we die aankunnen. Dat wil zeggen: financieel en technologisch, dat we calamiteiten en sociale veranderingen kunnen opvangen.

„Buiten die veilige ruimte, stopt de wereld niet met draaien. Maar dan komen we wel in een zone van grote onzekerheden. We weten dat tropische bossen die verdwijnen heel moeilijk terugkeren. We weten dat de ‘plastic soep’ in de oceanen supermoeilijk afbreekbaar is.”

Dat klinkt nog steeds abstract.

„Als het over klimaat gaat, komt het wel dichterbij. Stel dat de aarde gemiddeld twee graden opwarmt. Op het noordelijk halfrond is meer landmassa, waardoor de klimaatverandering daar sneller gaat dan op het zuidelijk halfrond. We weten dat sommige delen van Europa meer zullen opwarmen, zoals het gebied rond de Middellandse Zee. Daar zijn nu al grote problemen met de landbouw, doordat het warmer en droger wordt.

„Als daar gemiddeld nog eens drie graden bijkomen, zal de capaciteit op een aantal terreinen overschreden worden. Wat gaan we dan doen? We zitten daar met een grote bevolking en een economisch model dat gebaseerd is op landbouw en toerisme, sectoren die afhankelijk zijn van het natuurlijk kapitaal. Als je niets doet, loop je aan tegen de grenzen van de planeet. Dan slaat aanvaardbaar risico om in onvoorspelbaarheid.”

Hoe belangrijk is het klimaatakkoord dat in december in Parijs werd gesloten?

„Ik zie ‘Parijs’ als een richtingaanwijzer – naar een samenleving met een laag koolstofverbruik. En niet meer alleen voor de industrielanden, maar voor iedereen.”

Gaat dat lukken?

„De ontwikkelingen gaan snel. Veel sneller dan ik vijf jaar geleden had gedacht. Kijk naar de desinvesteringsbeweging, naar pensioenfondsen die opschuiven richting duurzame energie. Naar de angst voor stranded assets, [investeringen in fossiele brandstoffen die nooit zullen worden terugverdiend, red.]. Naar China, waar de uitstoot van broeikasgassen waarschijnlijk veel eerder piekt dan werd verwacht. Dat wijst er allemaal op dat het energiesysteem, dat een tijd lang behoorlijk solide leek, versneld op weg is naar iets anders.”

Toch lijkt het langzaam te gaan.

„Neem mobiliteit. Hoe snel kunnen we een complete sector ombouwen die al zo lang gebaseerd is op het gebruik van verbrandingsmotoren. Wie maakt de auto van de toekomst? Google is aan het experimenteren met automobiliteit. En dan heb je Tesla, een relatief klein en nieuw bedrijfje. Ik kan me niet voorstellen dat Tesla een auto kan bouwen die 600 kilometer rijdt op één batterij, en dat de grote spelers op de automarkt dat niet zouden kunnen. Zij hebben, bij wijze van spreken, een aantal keren het totale budget van Tesla te besteden alleen voor onderzoek naar e-driving.

„Technologie is niet het probleem, maar beleid dat in het voordeel is van oude industrie, fiscale systemen die innovatie tegenhouden. En natuurlijk ook gewoon onwil en angst voor verandering.”

Als we dat overwinnen, zijn we er dan?

„Nee. Er speelt nog iets heel anders. Het is ridicuul dat we in de stad een auto gebruiken voor afstanden onder de 2 tot 3 kilometer. En het is absurd om ’s ochtends allemaal tegelijk de weg op te willen, met 1,3 personen per auto. Dat is niet houdbaar op een planeet die op weg is naar 10 miljard mensen. Zoals het evenmin houdbaar is om te zeggen dat mensen het recht hebben om een woning te bouwen zonder daarbij rekening te houden met ruimtegebruik, materiaalgebruik, energie-impact.

„Dit zijn geen puur individuele keuzes. Hetzelfde geldt voor voeding. Niet iedereen kan vlees eten op de manier die we nu gewend zijn in Europa en in de VS en steeds meer ook in groeilanden. De stedelijke middenklasse groeit van 1,8 miljard mensen in 2010 naar 4,9 miljard in 2030. Er is geen enkel ethisch argument om te zeggen dat niet iedereen evenveel recht heeft op onze welvaart.”

Hoe bereik je mensen met zo’n vervelende boodschap?

„Ik weet niet of die boodschap wel zo vervelend is. Overconsumptie maakt ons niet gelukkiger, niet gezonder. Een paar jaar geleden meldde de Wereldgezondheidsorganisatie dat er voor het eerst meer te dikke mensen zijn, dan mensen met ondervoeding. Wie op de fiets naar zijn werk gaat, draagt bij aan het milieu, is productiever, gezonder, minder afwezig, heeft andere sociale interacties, en is in steden bovendien vaak ook nog sneller. Dat is een ander verhaal dan: je mag dit niet en je moet dat. Het gaat over welzijn. Natuurlijk zal er ook weerstand zijn, zoals bij iedere vernieuwing.

„Kijk hoe een stad als Kopenhagen inzet op leefbaarheid. Meer dan 80 procent van de mobiliteit via openbaar vervoer, lopen en fietsen. Er zijn dus ook nooit files. En voor wie binnen ‘groot Kopenhagen’ een keer een auto nodig heeft is er DriveNow. Vierhonderd BMW i3’s staan verspreid over de hele stad. Via een app op de mobiele telefoon vind je de dichtstbijzijnde. Die kun je voor 4 kronen [iets meer dan 50 cent] per minuut gebruiken. En je mag hem achterlaten waar je moet zijn. Het zijn bovendien elektrische auto’s, in Denemarken betekent dat vooral windenergie. En een BMW, dus nog ‘cool’ ook! Ik zou niet weten, waarom je nog geld zou steken in een auto.”