Segregatie op basis opleidingsniveau

Sociale ongelijkheid Internationaal wordt de kloof tussen hoog en laag opgeleid dieper. Onderscheidend is niet meer religie of sociale klasse, zoals vroeger, maar opleiding.

Niet alleen in Nederland wordt de sociale ongelijkheid groter, het is een internationale trend. En vergeleken met het buitenland valt het nog mee met Nederland, ook in het onderwijs. Volgens de laatste vergelijking uit 2012 van de Oeso, de club van rijke landen, heeft Nederlands nog relatief veel leerlingen met een lage sociaal-economische status die goed presteren in rekenen. Wel daalden in de door de Oeso gemeten negen jaar tussen 2003 en 2012 de rekenprestaties en nam tegelijkertijd de ongelijkheid ietsje toe.

Internationaal het slechtst scoort Nederland in het effect dat het schooltype heeft op de rekenvaardigheden van de leerling. Dat komt door de vroege uitsplitsing tussen vmbo, havo en vwo. Groot probleem is ook de ongelijke verdeling van onbevoegde leraren. Sociaal zwakke scholen krijgen weliswaar veel extra geld voor het onderwijs maar het percentage onbevoegde leraren is er bijna vier keer zo hoog als in scholen met veel kinderen van hoogopgeleiden. In de verschillen tussen scholen presteert Nederland slechter dan de meeste andere rijke landen.

Het slechtst scoort Nederland in het effect dat schooltype heeft op rekenvaardigheden

Maar ook elders in de westerse wereld neemt de ongelijkheid toe. „De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden is sterker geworden, dat is in tal van landen vastgesteld”, zegt Maarten Wolbers, hoogleraar onderzoek van onderwijs aan de Radboud Universiteit. Vorig jaar bracht hij de bundel Opleiding als sociale scheidslijn uit. Vroeger waren die opleidingsverschillen minder zichtbaar door segregatie naar sociale klasse of naar religie.

Door veranderingen in de arbeidsmarkt ging de opleiding tellen. En na een emancipatiegolf van de oudere generaties is volgens hem de sociale mobiliteit vrijwel overal minder geworden. „Sociale stijging speelde sterk in de naoorlogse periode”, zegt Wolbers. „Niet alleen de arbeidsmarkt veranderde, ook het onderwijsstelsel werd beter. Die emancipatie werd ook ideologisch aangewakkerd, in politieke partijen. Die vanzelfsprekendheid neemt af.”

Kans sociale daling groter

Volgens Thijs Bol, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, is er ook „sprake van een zekere verzadiging. Als een steeds grotere groep mensen een hogere opleiding heeft, dan is de kans op sociale daling ook groter.”

Van de vrouwen tussen 25 en 35 heeft nu 44 procent hoger onderwijs genoten. Voor mannen is dat 37 procent. Veel van hun kinderen zullen daar niet aan kunnen tippen en dat geeft spanning.

Hoogopgeleide ouders willen daling tegen elke prijs voorkomen en daarom letten ze goed op bij school. „Het is de keerzijde van de meritocratie”, aldus Bol, „Ouders zijn zich in toenemende mate bewust van het belang van onderwijs. Een aantal decennia geleden leefde het idee dat je ook zonder diploma ergens terecht kunt komen. Dat is niet meer zo. Hoogopgeleide ouders vinden het belangrijk dat het kind al vroeg op de juiste weg zit en niet op het ROC. Dan wordt het onderwijs een steeds belangrijker strijdtoneel om kinderen op de juiste plek te krijgen”.

„Weet als kind je opwaarts mobiele ouders maar eens te overtreffen”, zegt Wolbers. „De kans om het niveau van de ouders niet te halen, wordt per definitie al groter. We deden onderzoek naar opleidingsmobiliteit in drie generaties. Daaruit blijkt dat grootouders alleen kleinkinderen kunnen helpen waarvan de ouders niet hoogopgeleid zijn. Daar valt nog winst te behalen. Als ouders eenmaal opwaarts mobiel zijn geweest, is er geen positieve uitwerking op de kleinkinderen.’’

    • Maarten Huygen