Plakken

Het is negen uur in de ochtend en erg druk op de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Het is voorjaar. De paar bomen die de verkeersader rijk is zijn nog kaal. Voor Beekwilder, de etalagespecialist, echter, staan twee plastic boompjes met roze bloesem zacht te wuiven in een briesje.

Ik moet aan vakantie denken, en besluit ergens te ontbijten waar ik nog nooit ben geweest. Bij café Karpershoek, dat helaas nog dicht is, sla ik de Martelaarsgracht in. Ook Café De Ster is nog gesloten. Dan tref ik een terras. Het terras van Café Tapas Bar. Er zit een vrouw een shagje te roken. Uit haar hele lichaam spreekt een diepe teleurstelling. Omdat ze op het puntje van haar stoel zit vermoed ik dat ze er werkt. Ik ga naar binnen. Groepjes zwijgende toeristen zitten er, op skai lederen stoeltjes in verschillende kleuren, repen bacon met hun handen in hun vet geworden monden te duwen.

Uit haar hele lichaam spreekt diepe teleurstelling

Ik neem plaats aan een tafel. Hij plakt, en er staat een wit vaasje op met een bestofte roos erin. Om de roos rechtop in de vaas te houden is er een tissue om zijn plastic steel gewonden. De vrouw van het terras sjokt naar binnen. Ze moet ooit heel erg boos geweest zijn, maar nu is er nog die diepe teleurstelling die ze overal met zich meesleept. Als ze bij mijn tafeltje is doet ze met haar gezicht iets dat met een beetje goede wil voor een glimlach gehouden kan worden. Ik voel me schuldig dat ze zoveel moeite voor me doet. Ik bestel bij haar een zwarte koffie. Zij geeft mij de menukaart. Hij plakt. Ik open hem en trek de plastic pagina’s van elkaar af om te kijken naar foto’s van gerechten. Er is keuze uit gebakken ei, worst of bacon, geserveerd met ei, worst, of bacon met een grote portie friet en een kunstwerk van sla, gedrapeerde sinaasappel en een schijf komkommer met ribbels. Op de laatste pagina, die erger plakt dan alle vorige, staat ook het gerecht ‘toast met jam en boter’. Ik besluit daartoe en deel het de serveerster mede. Ze draait zich van me af en laat haar grimas weer naar het zuiden donderen. Ik heb meelij met haar, en moet denken aan de anti-rimpelmaskers die ze in Japan verkopen. Dan moet je een elastieken band onder je kin en over je gezicht heen trekken en die achter of bovenop je hoofd vastmaken met stevig klittenband. Ik denk dat het haar verlichting zou geven. In elk geval fysiek.

Ze brengt me een kop koffie met een kandijkoekje in een rood plasticje. In de schuimlaag die op de koffie rust zitten witte spikkels. Ik ruik er kort aan en besluit ertegen. Boven de deur hangt een bruin geworden airco en daarboven gilt een tv. Alles wat elektriciteit vergt in dit etablissement wordt daarvan voorzien middels verlengsnoeren die bruin zijn van vet en stof. Degene die hier het laatst heeft schoongemaakt, ergens in het tijdperk Lubbers vermoed ik, heeft zich er destijds met een jantje-van-leiden van afgemaakt.

Nadat de serveerster mij verrassend snel de toast met jam aanreikt, sjokt ze weer naar buiten voor een shagje. Door de beduimelde ramen zie ik haar op de rug het voorbij razende verkeer gadeslaan. Ze zit met haar shagje onder een vergeeld papier waarop staat ‘Personeel Gezocht’. Het plakband waarmee het papier ooit is opgehangen moet lang geleden zijn uitgedroogd. Toch blijft alles hier plakken.