Ombudsman

Panama Papers, rollende koppen – en een pinguïn

Intussen had NRC Handelsblad ook heus een internationale doorbraak. Terwijl de Panama Papers door de kolommen denderden, haalde verslaggever Marcel Haenen The New York Times, de voorpagina van het wetenschapskatern, met een bedreigde pinguïn (A New Zealand Penguin, Hard to Spot, Is Harder to Preserve, 11 april).

Niet iets waar Poetin, of Clarence Seedorf, van zal opschrikken, maar toch. Haenen schreef er eerder een mooi stuk over in zijn eigen krant (De ondergang van de bospinguïn, 6 februari), na verblijf op het schiereiland Otago. Maar de Amerikanen bleken ook geïnteresseerd. The Times twitterde erover naar 26.465.314 volgers, waarna het werd opgepikt door onder meer de BBC, en, zowaar, de Verenigde Naties.

Zo klein als die pinguïn is (65 centimeter), hij maakte zo wel duidelijk hoeveel impact een verhaal kan krijgen als het internationaal is opgemerkt.

Dat geldt duizendvoudig voor de Panama Papers, die het nieuws beheersen sinds de eerste onthulling over belastingontwijking en -ontduiking via een in dat land gevestigde firma, nu bijna twee weken geleden. Het werk van een internationaal consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ), waarbij NRC Media niet is aangesloten. Zij delen de informatie en coördineren de berichtgeving. In Nederland neemt Trouw deel, en die krant liet vervolgens Het Financieele Dagblad aanhaken, met toestemming van het ICIJ.

Dat initiatief is nu al veel besproken als voorbeeld van wat onderzoeksjournalistiek anno 2016 zou moeten zijn. Er is een zekere gelijkenis met WikiLeaks, ook gebaseerd op lekken, maar het lijkt ook een megaversie van – nostalgie – het financiële onderzoeksprogramma Gouden Bergen, dat Lex Runderkamp en Feike Salverda van 1986-1988 maakten voor de VPRO.

Uiteraard zijn inmiddels ook de sceptici opgestaan. Columnist Zihni Özdil verbaasde zich over de verbazing („Is het breaking news dat mensen voor hun economische belangen opkomen?”) en over het zich „verlekkeren” aan personen die in opspraak komen (Niet zo schandpalen met Panama Papers, 11 april). Anderen spraken van „rancunejournalistiek” of, zoals een oud-hoofdambtenaar van Financiën, van „moralisme” dat geen relatie meer heeft met de werkelijkheid van moderne belastingheffing. En is zulk lekken het nieuwe politieke actievoeren, oftewel Leaktivism?

Wat die schandpaal betreft: ik kan me ook voorstellen dat bij onthullers soms, na de zoveelste gekrenkte ziel of rollende kop, de twijfel begin te knagen: is een onderzoek alleen geslaagd als er bloed vloeit? Bestuurskundige Paul Frissen keert zich in zijn boek De laatste staat tegen een cultuur van „absolute transparantie” en bepleit een „recht op duisternis” voor burgers en, tot op zekere hoogte, de overheid.

Toch gaan die bedenkingen hier niet op. Dit moet uiteindelijk niet gaan om ‘foute’ individuen of om moralisme, maar om het blootleggen van omstreden, dubieuze of corrumperende structuren – bij uitstek een taak voor de journalistiek als publiek goed. Wat moet overblijven na alle ‘oh’s en ‘ah’s’ over de gargantueske omvang van deze monster story (2,6 terabyte data, 4.804.618 e-mails, 2.154.264 pdf’s, 320.166 tekstdocumenten, 12 staatshoofden, 132 politici en bestuurders, 29 Forbes-miljardairs, 511 banken) is: inzicht in de verborgen wereld van belastingparadijzen.

Intussen doet NRC Media, een van de mediabedrijven met een eigen onderzoeksgroep, dus niet mee. Van het consortium kunnen geen organisaties lid worden, alleen individuele journalisten. NRC wilde overigens wel. Een ervaren onderzoeksjournalist van de krant liet zich een jaar geleden voordragen, maar kreeg te horen dat de organisatie, die in Nederland vier leden heeft (bij Trouw, de Volkskrant, NOS en freelance) eerst uitbreiding zoekt in andere landen of werelddelen; denk aan Afrika en Azië.

Soms is een onthulling zo groot dat hij klein lijkt – of niet wordt opgepikt

Ja, zuur misschien – maar geen reden voor de krant om er zuur over te doen. Het nieuws uit de Papers is de afgelopen weken dan ook uitgebreid gebracht, en becommentarieerd. En, tikje meewarig, elk nadeel heeft zijn voordeel: als zoveel kranten ter wereld in onderlinge afstemming met hetzelfde verhaal komen, met dezelfde insteek, is het geen ramp dat een paar, al is het noodgedwongen, afstand houden en hun eigen conclusies trekken.

Ook The New York Times viste achter het net, na eerdere, minder geslaagde ervaringen met het consortium. Grote media schrikken ervoor terug de regie uit handen te geven – zoals besprekingen tussen het veel kleinere NRC Handelsblad en WikiLeaks in 2011 afketsten omdat die groepering te stringente eisen zou stellen. Ook toen koos de krant wel voor samenwerking: met RTL Nieuws werden de documenten betrokken via de Noorse krant Aftenposten.

Ook de „vriendelijke oase” die het ICIJ wil zijn, kent dus ballotage én coördinatie: het consortium bepaalt vanaf welk moment deelnemers wederhoor vragen en gaan publiceren; logisch, anders werkt het ook niet. En concurrentie blijft, zeker in Nederland, een rol spelen: Trouw vroeg het FD erbij wegens de financiële expertise, maar ook, zei een betrokken Trouw-journalist woensdag op een debat over de Panama Papers in Amsterdam, „omdat Trouw en het FD niet echt concurrenten zijn”. De oase is dus wel vriendelijk, maar niet iedereen mag zomaar bij de waterput.

Belangrijker dan meedoen of niet meedoen lijkt me nu wat de Papers duidelijk maken over zulke onderzoeksjournalistiek. Enkele suggesties.

1. Financieel én ander nieuws (over migratie, Europa) houdt zich allang niet meer aan nationale grenzen. Samenwerking kan dus gewenst zijn, bij structurele onderwerpen die niet op de ANP-agenda staan. Dat gebeurt ook wel. NRC-journalist Joep Dohmen werkte samen met een collega van de Wereldomroep voor zijn onderzoek naar seksueel misbruik in katholieke instituten, ook een mondiaal verhaal. Met Het Parool werd samengewerkt voor Jeroen Westers (NRC) onthullende onderzoek naar het Slotervaart-ziekenhuis. Recentelijk legden Dohmen en Hanneke Chin-A-Fo internationale contacten voor hun onderzoek naar de miljarden van de Libische dictator Gaddafi.

2. Zo’n brede aanpak kan ook helpen het verwijt te voorkomen van incidentenjournalistiek, en bevorderen dat een onthulling een serieus vervolg krijgt. Te garanderen valt dat nooit, het effect van scoops is onvoorspelbaar en soms is een onthulling zo groot dat ze juist klein lijkt, omdat ze elders niet kan worden opgepikt. Of ze wordt geneutraliseerd door contraspin, die in de moderne wereld van voorlichters en reputatiemanagers ook steeds beter wordt georganiseerd. Dat is een zaak van redactionele keuzes, inzet en focus. Hamvraag: wat wil de krant nu precies, beleidsmatig, met een eigen onderzoeksgroep?

3. Op deuren kloppen blijft de basis, maar is soms niet meer genoeg in een gedigitaliseerde wereld die van data en encryptie aan elkaar hangt. Uitpluizen van enorme macrobestanden is dan geboden, maar het is ook monnikenwerk.

Kunnen journalisten dat, zelfs als ze samenwerken? In The New Yorker voorziet columnist Nicholas Lemann een toekomst waarin reusachtige databestanden geheel en al buiten journalisten om worden gelekt en door derden tot nieuws worden gemaakt. Wie weet. Vooralsnog is vasthoudend en diepgravend eigen onderzoek, zoals Trouw-journalist Joop Bouma (ICIJ-lid sinds 2001) in Amsterdam zei, „de meerwaarde die kranten kunnen bieden voor hun lezers. Die zitten niet te wachten op wat je al ziet in het Journaal.”

Eens. Zij het met deze kanttekening: ook micro-onderzoek blijft nodig – want voor die pinguïn, belastingvrij of niet, gaat het om leven of dood.