Ongelijkheid door vroege keuze

Selectie Vroege schoolkeuze aan de hand van de eindtoets of het schooladvies werkt sociale ongelijkheid in de hand. Die neemt af als scholieren later kiezen, blijkt uit onderzoek.

Foto ANP / Koen Suyk

En weer is de discussie losgebarsten: wat is nou de beste graadmeter voor leerlingen uit groep acht van de basisschool, de eindtoets of het schooladvies? De toets is een momentopname en het advies baseert de leerkracht op de prestaties van de hele basisschoolcarrière. Dat laatste was beter, zo besloot de politiek drie jaar geleden.

Maar ja, nu meldt de Onderwijsinspectie dat kinderen uit lagere sociale klasse eerder een lager advies krijgen dan andere kinderen met dezelfde intelligentie. Voor de lagere sociale klasse werkte de eindtoets juist objectiverend. Een hoop reuring dus; moet de eindtoets nu toch weer belangrijker worden? Of niet?

Nou, zeggen onderwijsexperts, niet alleen de eindtoets en het schooladvies spelen een rol. Nog veel belangrijker en fundamenteler: de vroege selectie die Nederland kent. Die speelt misschien wel de állerbelangrijkste rol, bij het vergroten van de ongelijkheid. Leerkrachten sturen kinderen op 11 of 12-jarige leeftijd naar één bepaald schooltype. En eenmaal op een bepaald spoor, kom je daar nog maar moeilijk vanaf.

Vroege selectie is niet goed. Latere selectie geeft kinderen kans zich los te maken van hun milieu

Uit onderzoek blijkt dat de ongelijkheid tussen sociale milieus groter is in landen waar men vroeg voorselecteert. Ook jaren later nog, is dat verschil goed zichtbaar, vertelt Herman van de Werfhorst – hij is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en deed onderzoek naar vroege selectie. Hij vertelt dat Europese landen die een onderwijshervorming doorvoerden, en pas leerlingen scheidden bij 16 jaar, een afname van de ongelijkheid zagen.

De latere selectie is belangrijk omdat je kinderen de kans geeft om zich los te maken van hun milieu, zegt Van de Werfhorst. „In groep acht hebben ouders een belangrijke rol bij schoolkeuze. Laagopgeleide ouders zeggen bij twijfel tussen vmbo en havo sneller: doe maar vmbo.”

Maar er zijn nog meer argumenten om pas later een schooltype te bepalen. Kinderen (van welke achtergrond dan ook) staan in groep acht aan de vooravond van de puberteit. En zien school (nog) niet als prioriteit, zegt Wim Kuiper voorzitter van Verus – de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs die ruim 4.000 scholen telt. „Bovendien zit er nog zoveel potentie in kinderen, er zijn genoeg laatbloeiers. Je moet ze daarom niet meteen in een hokje stoppen. Zeker niet een hokje waar ze nauwelijks meer uitkomen.”

Minder stapelen

Kuiper doelt op het huidige onderwijssysteem dat steeds minder flexibel is. Zo krijgen kinderen steeds minder de kans om van het ene naar het andere niveau over te stappen. Dat concludeerde ook de Onderwijsinspectie vorig jaar. Die registreerde minder brede brugklassen, meer categorale scholen en zag dat het ouderwetse stapelen steeds minder voorkomt. Inspecteur-generaal van het onderwijs Monique Vogelzang vroeg zich in NRC destijds af: „Willen we dat? Krijgen kinderen zo nog wel genoeg kansen?”

Nu concludeert de onderwijsinspectie dat dit dus niet het geval is. Vooral kinderen van laagopgeleide ouders krijgen dus minder kansen. Die leerlingen krijgen gemiddeld een lager advies voor het voortgezet onderwijs dan voorheen, terwijl ze in potentie even goed zijn als de kinderen van hogeropgeleide ouders.

Waarom geven scholen kinderen niet het voordeel van de twijfel?

Het rendementsdenken speelt een belangrijke rol, zegt Kuiper. Scholen willen op safe spelen. De overheid heeft de afgelopen jaren flink ingezet op meer toezicht op de prestaties van onderwijsinstellingen. Goede resultaten (hoge cijfers en geen kinderen af- of uitstromen) kun je meten en bijhouden. Niet alleen de inspectie kijkt daar naar, ook media en ouders houden alles in de gaten. „Overal staan ranglijstjes van de beste scholen.”

Concurrentie

Dit past in een algemene maatschappelijke trend waarbij allerlei sectoren verantwoording moeten afleggen over hun prestaties. Alles wordt geregistreerd, in kaart gebracht en gepubliceerd. Die transparantie zorgt voor toenemende concurrentie tussen instellingen, maar ook tussen ouders. Scholen willen geen moeilijke gevallen, want dan dalen ze op de ranglijstjes. Onderwijsinstellingen kunnen zelfs strategisch gaan handelen, zegt Van de Werfhorst. „Ze nemen alleen nog de beste leerlingen aan.”

Ook de ouders gaan de strijd aan om hun kind op de ‘allerbeste’ school te krijgen. Ze gaan investeren in bijlessen, huiswerkbegeleiding en Cito-trainingen. Dat zet andere ouders en hun kinderen op achterstand. Lageropgeleide ouders, zegt Wim Kuiper van Verus, „hebben minder geld en minder sociaal kapitaal om de juiste wegen te bewandelen.”

Met als resultaat dat de ongelijkheid nóg verder toeneemt.