Je hoort ze niet, omdat ze druk zijn met vluchtelingen integreren

Europese burgers doen wat veel politici nalaten: werken aan integratie. „Zelfs sceptici rollen de mouwen op en gaan aan de slag”, schrijft Caroline de Gruyter.

Een vrijwilliger speelt met kinderen die in een gigantische garage onder het station van het Oostenwijkse Salzburg verblijven. Dat bood in september vorig jaar onderdak aan honderden net gearriveerde migranten.

Inwoners van het Oostenrijkse dorp Gutau hebben een systeem van microkredieten opgezet om vluchtelingen te helpen bedrijfjes op te zetten en huizen te huren. Nieuwkomers, zeggen zij, integreren sneller met praktische assistentie dan met medelijden. Een restauranthouder in Salzburg traint asielzoekers en neemt ze in dienst. Hij pusht collega’s om hetzelfde te doen. En in het dorp Kaltenleutgeben, ook in Oostenrijk, nemen inwoners vluchtelingenfamilies mee naar het museum of koken ze samen.

Oostenrijk heeft de grenzen praktisch gesloten. Het land kreeg in 2015 90.000 asielaanvragen; in de media en het parlement praat iedereen over muren, grenzen en ‘maximumaantallen’. En toch – als je het land intrekt en met Oostenrijkers praat, merk je dat velen die discussie niet meer volgen en allang bezig zijn met de volgende fase: integratie. De Willkommenskultur lijkt onder politici sneller te verdampen dan onder de bevolking. Veel burgers zeggen dat ze zich dat domweg niet kunnen permitteren. Integratie móet lukken, anders hebben ze ook zichzelf ermee. Dus rollen zelfs de sceptici de mouwen op en gaan aan de slag.

Dit gebeurt niet alleen in Oostenrijk, maar ook elders in Europa. Kranten berichten over varkenskoppen bij een asielcentrum, brandstichtingen in Duitsland of over de vraag of moslims in een leegstaande kerk mogen slapen. Na de aanslagen in Brussel roepen sommigen om grote hekken om Europa. Maar burgemeesters zijn met andere dingen bezig. In Nederland heeft een aantal van hen laatst de overheid gevraagd om minder te praten over ‘nul migratie’ en meer over concrete stappen die integratie makkelijker maken. Veel burgemeesters hebben gebouwen leegstaan, zeker op het platteland, waar zo honderd tot tweehonderd asielzoekers in kunnen. Kennelijk hebben ze geen probleem om vrijwilligers te vinden voor Nederlandse les of voetbaltoernooien met vluchtelingen. Amsterdam zoekt zelfs, tegen de regels in, werk voor asielzoekers die nog in de procedure zitten.

In Duitsland: zelfde verhaal. Volgens de Robert Bosch-stichting heeft 7 procent van de Duitse gemeentes serieuze problemen met de opvang van vluchtelingen. De rest regelt het gewoon. En meer dan dat. Leden van het Freiburgse Barokorkest geven klassieke muziekles aan vluchtelingenkinderen. In Beieren, waar premier Horst Seehofer kanselier Angela Merkel verzoekt om de grenzen te sluiten, loopt vrijwilligerswerk als een Zwitsers uurwerk. Met excelsheets kunnen ze zien welk dorp kleurkrijtjes nodig heeft voor vluchtelingenkinderen, waar mensen nodig zijn voor de nachtdienst of auto’s om vluchtelingen naar de dokter te brengen. Ngo’s, kerken en burgers werken samen. „Als we het niet doen”, zegt een gepensioneerde vrouw die Merkels ‘opendeurpolitiek’ maar niets vindt, „zitten we zelf met de gebakken peren”. Zij wil Duitse les geven, maar staat al maanden op een wachtlijst. Teveel aanmeldingen, zegt ze.

In haar stem klinkt iets van spijt door. Is dat omdat haar dorp collectief iets beleeft waar zij buiten staat? Integratie als sociale lijm in de hyper geïndividualiseerde samenleving – wie had dat gedacht.

Veel vrijwilligers zijn doeners, geen dromers. Hun apolitieke aanpak staat haaks op de politieke gloom die Europa doordesemt. Uit angst om de macht te verliezen nemen regeringen steeds meer het discours van extremistische en populistische partijen over.

Landen als Duitsland, Zweden, Oostenrijk en Nederland hebben eerder mensen opgevangen die oorlogen en onderdrukking ontvluchtten: Hongaren in 1956, Vietnamezen in de jaren zeventig, ex-Joegoslaven in de jaren negentig. Ditmaal zijn Europeanen meer gereserveerd. Ze zijn murw en onzeker na jaren van eurocrisis. Na de aanslagen in Brussel en Parijs zijn ze doodsbang voor terrorisme en twijfelen ze over meer moslims in hun dorp of stad.

Daarom hielden velen in Arnhem hun hart vast toen er in september 400 vluchtelingen in een lege gevangenis werden gehuisvest: hoe zou de buurt reageren? Maar buurtbewoners kwamen hun huizen uit met speelgoed en kleren, en boden spontaan hulp aan. Een Arnhemmer zei: „Ineens werden de vluchtelingen, meervoud, Tarik uit Homs en Yasmin uit Aleppo.”

Tijdens een lunch met vrouwen uit goede Oostenrijkse families, laatst, bleek dat ze bijna allemaal vluchtelingenwerk doen. Eén van hen probeert diploma’s van Syrische artsen sneller erkend te krijgen. Zij beaamde: er hangt een negatieve stemming in het land, deels veroorzaakt door bureaucratische chaos uit de begindagen die al voorbij is. Net als in Nederland verdeelt de staat asielzoekers over provincies. Net als in Nederland boden provincies lege gebouwen aan, maar wilde de staat alleen praten over enorme groepen, van duizend of meer. Veel Oostenrijkse provincies weigerden dat aanvankelijk. Uiteindelijk duwde Wenen hen de asielzoekers door de strot. Wat deden sommige provinciale gouverneurs toen? Die stuurden de asielzoekers rechtdoor naar gemeentes waarvan de burgemeester een andere politieke kleur had.

Zo sliepen er in een Habsburgse kadettenschool in Traiskirchen, ooit gebouwd voor 500 man en 110 paarden, vorige zomer bijna 5000 mensen. De burgemeester is een socialist, de gouverneur een conservatief. Het was complete chaos, die beide partijen gebruikten om punten te scoren. Asielzoekers sliepen op straat. Douches deden het niet. Extra bedden werden niet geplaatst vanwege „gemeentelijke verordeningen”. Burgers brachten eten, telefoonkaarten, kleren. Amnesty International noemde de toestand „schandalig”. Dit is allang voorbij, maar de dagelijkse tv-journaals erover zijn iedereen bijgebleven.

Volgens Kilian Kleinschmidt, een Duitser die het allergrootste vluchtelingenkamp voor Syriërs in Jordanië heeft gerund (80.000 mensen), kunnen 500 miljoen Europeanen makkelijk 1,5 miljoen nieuwkomers opnemen. „Vliegvelden verwerken er dagelijks meer. Je moet het alleen wel willen.”

Kleinschmidt is bijna dagelijks op de Duitse televisie en houdt vaak TedTalks. Hij brengt softwareontwikkelaars, planologen en venture capitalisten in contact met energieke Syriërs die handig zijn met computers en (te)veel vrije tijd hebben. Zo ontstaan bloeiende netwerken als Techfugees, die ingenieurs en ngo’s gebruiken in de hulpverlening, en Fab Lab, dat vluchtelingen toegang geeft tot digitale technologie.

Europa barst van dit soort initiatieven. In Berlijn bijvoorbeeld, volgen Syrische asielzoekers cursussen op de REDI School for Digital Integration. Investeerders, die weten dat bijna de helft van startups in Turkije is opgezet door Syriërs, zitten hier bovenop. Wat opvalt in al deze circuits, is hoeveel positieve energie mensen halen uit de inzet voor een ‘goede zaak’ – een gevoel dat veel Europeanen niet goed kennen, omdat de verzorgingstaat dit altijd voor ze deed.

Overal groeit de druk om asielzoekers en vluchtelingen sneller aan werk te helpen. Alexander van der Bellen, één van de kandidaten voor de Oostenrijkse presidentsverkiezingen in april, bezocht asielzoekers die al maanden op de rand van hun bed zaten. „Ze hadden hun eerste interview nog niet gehad. Dit kan natuurlijk niet.” Friedrich Schneider, expert in de Europese schaduweconomie, pleitte er laatst in deze krant voor om asielzoekers zwart te laten werken. Geen slechter begin in een nieuw land, zei hij, „dan verveling en frustratie”. Volgens economen van het Weense economische instituut Wifo hebben extra uitgaven voor vluchtelingen het land al 0,5 procent extra groei bezorgd. Als asielzoekers zwart werken, spenderen ze meer en wordt dat effect versterkt.

In Europe’s World (een publicatie van 150 Europese denktanks) schrijft de burgemeester van het Duitse Goslar, Oliver Junk, dat zijn stad in tien jaar tijd 4000 van de 50.000 inwoners is kwijtgeraakt. Door vergrijzing. Je kunt óf scholen, zwembaden en andere openbare voorzieningen sluiten, zegt Junk, óf zorgen dat je nieuwe mensen krijgt. Woonruimte en werk genoeg. Hij ging voor de tweede optie. In 2015 kwamen er 1500 asielzoekers. Bedrijven zijn blij. Ze hadden de burgemeester verteld dat ze weg zouden trekken als ze moeite zouden houden arbeidskrachten te vinden. Dan zou het „einde verhaal” zijn voor Goslar.

Hetzelfde hoor je in de Nederlandse provincie Limburg, waar de bevolking jaarlijks met 4000 mensen krimpt. Elk jaar worden er 1200 huizen afgebroken. Er staan genoeg scholen, kerken en kantoorgebouwen leeg om honderd à tweehonderd asielzoekers te huisvesten. Eerst weigerde Den Haag zulke kleine groepen te sturen. Het zou te weinig zoden aan de dijk zetten. Mede daardoor verliep de ‘distributie’ van asielzoekers afgelopen maanden moeizaam en traag.

Dit verandert nu, eindelijk. Asielzoekers komen in kleinere aantallen, gespreid. Daardoor worden ze makkelijker opgevangen. In Limburg heeft de komst van Syrische kinderen al een dorpsschool opengehouden – anders had die moeten sluiten.

Bestuurders hebben geen probleem vrijwilligers te vinden. Onder hen zijn ook PVV-stemmers. In de Limburgse landbouw zijn dringend arbeidskrachten nodig. Nedcar zou morgen asielzoekers inhuren als het mocht. Ook hier lijken bureaucratische starheid en verveling onder asielzoekers grotere obstakels voor een succesvolle integratie dan een zogenaamde ‘onwelkome’ houding onder gewone burgers.

Misschien tijd dat de politici daar wat meer oog voor krijgen.