Inlichtingendienst mag voortaan de kabel aftappen

AIVD en MIVD mogen dataverkeer van de kabel aftappen. Maar niet zonder toestemming vooraf. Dat besloot het kabinet vrijdag.

De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten mogen op grotere schaal informatie van kabels gaan aftappen. Diensten als de AIVD en MIVD moeten daarvoor wel vooraf toestemming vragen aan een in te stellen onafhankelijke commissie.

Dat is de kern van een wetsvoorstel van de ministers Hennis (Defensie, VVD) en Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) dat vrijdag in de ministerraad is goedgekeurd.

De veiligheidsdiensten willen al veel langer ruimere mogelijkheden om communicatiekabels af te tappen. Nu mogen de diensten op de kabel – waar onder meer internet- en mobiel telefoonverkeer overheen gaat – alleen gericht zoeken. Communicatie via de ether, zoals met satelliettelefoons, mag wel ongericht worden afgetapt, maar het grootste deel verloopt via internetkabels. Daarom vragen inlichtingendiensten al langere tijd om uitbreiding van de bevoegdheden.

Vorig jaar zomer werd al de eerste versie van het wetsvoorstel door de beide bewindslieden gepresenteerd. Toen was er nog geen sprake van dat een commissie vooraf toestemming moest geven. Destijds was alleen geregeld dat de bestaande toezichthouder bezwaar zou kunnen maken bij bepaalde activiteiten.

Tappen van advocaten

In het nieuwe voorstel moet zowel de verantwoordelijke minister als de toetsingcommissie groen licht geven. Voor het tappen van advocaten en journalisten moeten de diensten toestemming krijgen van de rechtbank in Den Haag.

Minister Plasterk zei dat de wet nodig was om de criminaliteit voor te blijven. „Het is nodig omdat de techniek voortschrijdt en we de slechteriken en bad guys moeten kunnen blijven vinden. Met de nieuwe wet kunnen we onbekende dreigingen in beeld brengen.”

De minister benadrukte dat de privacy ook met de nieuwe wet gewaarborgd blijft. Het aftappen moet altijd „doelgericht” en „noodzakelijk” zijn, aldus minister.

De onafhankelijke toezichthouder, de CTIVD, kan volgens minister Plasterk „in elk stadium kijken of we ons goed aan de regels hebben gehouden”.