Ik toon drama én schoonheid

Al tien jaar legt fotograaf Henk Wildschut (48) het vluchtelingenkamp in Calais vast, werk dat nu te zien is in fotografiemuseum Foam. „Ik voel met mensen mee, maar ga niet doen alsof ik ze begrijp.”

Foto Andreas Telaak

Pannetje

„Toen ik in een hut in het vluchtelingenkamp in Calais een pruttelend pannetje fotografeerde, en de jongen die bezig was met koken erbij stond en zag dat zijn eten langzaam aanbrandde, en ik maar doorging omdat dat pannetje er móest komen, keek ik naar mezelf als buitenstaander en dacht: ‘Doe effe normaal, Henk.’ Een fotograaf neemt iets van iemand, zonder wat terug te geven. Mijn aanwezigheid in het kamp is niet in het belang van de illegale immigranten. Zij willen ongezien naar de overkant. Vanwege de Engelse autoriteiten, maar er is nog een andere reden. Ze zien hun verblijf in het kamp als een momentje in hun bestaan. Oké, je zit hier nu, maar over een week ben je misschien in Engeland, over twee jaar heb je een baan, en tien jaar later ben je minister van Foreign Affairs, insjallah. Dan zit je daar met een foto van jezelf in Calais.”

Bordje soep

„Ik zag mezelf altijd als een echte portretfotograaf. Vaak waren het politici en topmanagers die ik voor mijn lens had. ‘Macht, wat is dat nou eigenlijk?’ vroeg ik me af. Ik was altijd op zoek naar de kwetsbaarheid. Als ik Wilders fotografeerde in een Chinees restaurant boven een bordje soep, helemaal alleen, zag hij eruit als een heel normale man, op het lullige af. Het was balanceren, want het moest wel respectvol blijven, vond ik. Als fotograaf heb je ook macht. Maar op den duur raakte ik erop uitgekeken om mensen in beeld te brengen. Het kreeg iets gemakzuchtigs. Ik raakte de kern niet, voor mijn gevoel. Toen ik tien jaar geleden voor het eerst in de bossen van Calais kwam en daar tussen de bomen die zelfgebouwde hutjes zag staan van illegale immigranten die hoopten op een dag naar Engeland te kunnen oversteken, wist ik meteen: dit is de essentie van deze mensen. Door hun hutten in beeld te brengen kan ik zowel het drama als de schoonheid laten zien. Zowel de ellende als de kracht, de hoop.”

Graspollen

„Er zijn mensen die mijn foto’s afstandelijk vinden of zelfs verwerpelijk, omdat ik de dingen te mooi zou maken. Alsof ik niet kwaad en moedeloos word van de situatie en bijna in janken uitbarst als ik kleine kinderen zie rondlopen in het kamp. Ik zie de rotzooi, ik zie de wanhoop, en het kost me onwijs veel moeite om dat allemaal weg te filteren. Maar ik wil me niet laten leiden door die emoties, omdat ik een ander verhaal wil vertellen, omdat ik tegenwicht wil bieden aan het sentiment. Aan de clichébeelden van de vluchteling bij zijn schamele bezittingen, of de vluchteling met de krachtige blik. Ik vind het de verantwoordelijkheid van de beeldmaker om de kijker altijd weer te verrassen, en dat lukt mij bij illegale immigranten alleen door hun omgeving te portretteren. Op een mooie manier, zoals je ook mensen op een mooie manier portretteert. In het Foam hangt een foto van een hut met een tuintje ervoor, aangelegd door een stel Soedanese jongens. Een hoop aarde met een hekje eromheen, en in die aarde hebben ze graspollen gelegd. Voor mij zit het drama van het vluchtelingenvraagstuk eerder in die graspollen dan in een Iraanse man die uit protest zijn mond heeft dichtgenaaid.”

Dyslexie

„Mijn eerste rolletje schoot ik vol op mijn negende. Ik was kort daarvoor van school veranderd, en we gingen op kamp. Om mezelf een houding te geven, maakte ik foto’s met mijn boxje, dat ik net had gekregen. Een van die foto’s – door een raam heen, best artistiek met die reflectie – is jaren later nog eens gepubliceerd in Rails. Dat was het moment waarop ik de wereld begon te bekijken van achter mijn camera. Ik vond het vreselijk op die nieuwe school, een lom-school, waar ik heen moest omdat ik last had van ernstige dyslexie. Ik voelde me misplaatst daar, want ik had ambitie. Elke zomervakantie zat ik met mijn moeder in de caravan taaloefeningen te doen, in de hoop weer terug te kunnen naar mijn oude school. Maar dat lukte nooit.”

Joint

„Op een ochtend kwam ik thuis van de nachtdienst, ik werkte als psychiatrisch verpleegkundige, toen de telefoon ging. Via een lange weg had ik me omhoog gewerkt naar het hbo. Ik was blijven fotograferen, als hobby. ‘Het moet geen werk worden’, zei ik altijd. Wel had ik foto’s opgestuurd naar fotografiemagazine Focus. Die hadden een ‘starterspagina’, voor amateurfotografen. Het telefoontje die ochtend was van de redactie, ze wilden mijn reportage plaatsen op de portfoliopagina’s, waar normaal alleen gearriveerde fotografen konden publiceren. Of ze me even konden interviewen. Maar ik had net een enorme joint gerookt, dat deed ik altijd om te kunnen slapen na een nachtdienst. ‘Kunnen jullie later terugbellen?’ vroeg ik. ‘Ik ben stoned.’ Dat gewoon te kunnen zeggen zonder dat het consequenties had! Die vrijheid! Kort daarna ging ik naar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ik was 26.”

Lascursus

„De camera heeft me altijd geholpen om situaties te overwinnen. Wij woonden vroeger naast een lts, toen ik daarheen dreigde te moeten na de lom-school, grote groepen stoere jongens met brommers, was dat het ergste wat ik me kon voorstellen. Ik ging uiteindelijk naar de leao. Later maakte ik een fotoserie over de Amsterdamse haven. Daar kwam ik in een grote kantine, vol met stoere mannen. Alsof ik mijn lts-trauma binnenliep. Uiteindelijk heb ik vijf jaar lang met enorm veel plezier in die mannenwereld rondgebanjerd. ‘Shit, waarom heb ik niet op de lts gezeten?’ dacht ik als ik die mannen bezig zag met lassen. Ik vond het zo leuk dat ik zelf ook een lascursus ging volgen. Ik ontdekte als het ware mijn eigen mannelijkheid. Dat vind ik het mooie aan mijn werk, dat ik ook steeds dingen over mezelf ontdek.”

Gastank

„Toen jongens tijdens de ontruiming van het Calais-kamp in februari hun huis in de fik staken, omdat ze liever zelf de boel afbraken dan te moeten toekijken hoe de Franse politie dat deed, dacht ik: ‘Jullie hebben groot gelijk. Zou ik ook doen. Flikker er ook nog een gastank in, dan knalt het lekker.’ Ik voel met de mensen mee, maar ik ga niet doen alsof ik ze begrijp, laat staan alsof ik een van hen ben. Al dat theater van die vrijwilligers die in het kamp blijven slapen en de immigranten willen begrijpen. Dat kán helemaal niet. Mijn werk is daarom ook altijd mijn blik, mijn interpretatie van de werkelijkheid.”

Moestuintjes

„Ook Aziz zal ik nooit helemaal begrijpen, al is hij intussen een vriend. Hij kent iedereen in het kamp en heeft me vaak geholpen. Over zijn leven vertelt hij de ene keer dit, de andere keer dat. Waar het op neerkomt is dat hij heeft moeten vluchten omdat hij als hoge militair in het Pakistaanse leger heeft gediend, tegen de Taliban. Hishaam, mijn assistent, heeft hem opgehaald uit Calais voor de opening van de tentoonstelling. Bij ons thuis ging hij gelijk voor ons koken en dingen met de kinderen doen. Stond hij daar met een peuk in zijn mond de jongens te helpen met hun moestuintjes. ‘Ik voelde me echt alsof ik weer thuis was’, zei hij terug in de auto. Hij is alweer tweeënhalf jaar onderweg. Dat is naar mijn idee het enige positieve aan deze hele vluchtelingencrisis: er is ineens veel meer interactie tussen verschillende culturen. Stel dat Aziz ooit teruggaat naar zijn land, dan heb ik opeens een vriend in een tribal area in Pakistan. Dat is toch te gek?”