Column

Hoe wij een sprookjesland voor de grote bekken konden worden

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Rutte en het Brusselse gesprek over de Hollandse stem des volks. Ofwel: wat als politici de grote bek prefereren boven het goede gesprek?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Je kunt niet zeggen dat de grote bekken veel te klagen hebben. Ik geef toe: liever zou ik een andere term gebruiken. Maar niets vat onze huidige politiek en samenleving beter samen dan uitgerekend die uitdrukking – de grote bek.

Je hebt de grote bekkendemocratie, met het Oekraïnereferendum als recent bewijsstuk. En dan vooral de manier waarop het neen-kamp afgelopen week de voorstanders verbaal afroste.

Je hebt de grote bekkenmaatschappij, met het rapport van de Onderwijsinspectie deze week als illustratie. En dan vooral het verschijnsel dat hoogopgeleide ouders zo assertief opkomen voor hun kinderen dat die bijna altijd voorrang krijgen, terwijl kinderen van laagopgeleiden achterblijven omdat hun ouders te bescheiden zijn.

Je hebt het grote bekkenbedrijfsleven, met de Panama Papers als proeve. En dan vooral de ondernemers bij wie alles riekt naar belastingontduiking en beschuldigingen met kracht te ontkennen – om kort daarna hun functies te verlaten.

En je kunt hier gemakkelijk neerbuigend over doen, maar dat is misschien te simpel. Het echte tijdsverschijnsel is, vrees ik, dat je zonder grote bek niet ver meer komt.

Politici, burgers, bedrijven: ze zitten allemaal gevangen in dezelfde neiging tot overdrijven en overschreeuwen.

Het is de naargeestige erfenis van Volkert van der G. De dierenactivist die zo vervuld was van zichzelf dat hij een heel land de kans ontnam te testen of een grote bek ook werkelijk iets teweegbrengt.

„Ik zeg wat ik denk en doe wat ik zeg”, zei Fortuyn. Voor een politicus nogal gewaagd, maar een belofte die, zoals bekend, enorm tot de verbeelding sprak.

Mede daardoor leven we hier nu al veertien jaar in een sprookjesland voor populisten. Elke kandidaat-politicus met een bekend gezicht en een paar brutale beloften is goed voor ruime media-aandacht en virtuele zetels in het wekelijkse persbericht van Maurice de Hond.

Je vergeet die dingen, maar nog maar een jaar geleden waren we op televisie en in kranten vol van de komst van Bram Moszkowicz naar Den Haag, alsmede van de politieke fusie die oud-PVV’er Hero Brinkman aanging met voormalig volksbankier Dirk Scheringa.

Moszkowicz was binnen negen maanden afgeserveerd. En vorige maand bleek dat Brinkman en Scheringa uit elkaar zijn, mede omdat, dit leest u goed, Dirk de contributie à 25 euro niet had voldaan. Berichtjes in de marge van het nieuws, wat moet je ermee, maar het effect kennen we al jaren: ook deze gesneefde gelukzoekers zullen geen invloed hebben op de warme ontvangst die de volgende Moszkowicz en de volgende Scheringa krijgen.

Nu zitten we weer met de referendumwinnaars. Vooropgesteld: de mensen die deze volksraadpleging afdwongen – het Burgercomité EU, het Forum voor Democratie, GeenStijl – hebben een burgerzin getoond waar de Moszkowiczen en Scheringa’s van deze wereld niet aan kunnen tippen.

Ik weet alleen niet of zij, zoals ze zeiden, de democratie aan het redden waren.

Je hebt van alles dat gevaar loopt. En ook van alles waar onvrede over is, zoals de politiek en enkele van zijn instituties. Maar bekijk de vertrouwenscijfers en je ziet dat de democratie, in alle redelijkheid, geen enkel gevaar loopt.

Nu komen de vervolgvragen. Zoals: hoe belangrijk was het thema van dit referendum eigenlijk? Het toeval wilde dat de Tweede Kamer woensdag eerst sprak over het EU-akkoord met Turkije inzake Syrische vluchtelingen, en ’s avonds het Oekraïnereferendum behandelde.

Laten we wel wezen: voor de burger, en men claimt dat het om hem gaat, is dat hele Oekraïneverdrag onbeduidend vergeleken met het oogmerk van het EU-akkoord met Turkije. De grootste vrees van de Hollandse kiezer is dat dit jaar nog eens honderdduizenden Syrische vluchtelingen Europa aandoen.

Tegen die achtergrond was het eigenaardig wat zich woensdag voltrok: terwijl de Kamer het debat over het Turkije-akkoord klein hield, maakte vooral de oppositie het Oekraïnedebat zo groot mogelijk.

Nu had dit ook te maken met de coalitie. Die was niet geweldig uit de referendumcampagne gekomen. Vooral de vroege aankondiging van de PvdA dat zij de meerderheid zou volgen, al was het referendum raadgevend, viel in de VVD slecht.

Dus na het referendum stond de coalitie voor de taak oppositiefracties informeel te overtuigen dat de PvdA zich vergist had: Rutte had toch tijd nodig het Nederlandse ‘nee’ in Brussel te bespreken alvorens hij dat in de wet zou vastleggen. Geen geweldig uitgangspunt, dus dat werd niks: de oppositie trok de neus op.

En toen dinsdagochtend in de PvdA-fractie ook bleek dat dissident Jacques Monasch kritisch was omdat zijn partij nu van het campagnestandpunt afweek, doemde voor Rutte een ongemakkelijk debat op: voor zijn standpunt had hij de zekere steun van slechts 75 coalitiezetels. Lichte paniek.

Langs de zijlijn stonden intussen de referendumwinnaars. De redders van de democratie deelden nadrukkelijk mee dat nee in hun ogen nee was.

In de Kamer gunden ook oppositiepartijen die eerder voor het verdrag stemden (SGP, CU, CDA, D66, GroenLinks), Rutte geen ruimte: de door de kiezers afgewezen wet moest, vonden zij, meteen door het kabinet ingetrokken worden.

Tot donderdagmorgen, toen fractievoorzitters bijeenkwamen in de Commissie-Stiekem, was me niet echt duidelijk wat ik hier zag. Al stond toen vast dat de benadering van Rutte het nipt zal halen: ook als Monasch komende dinsdag met de oppositie meestemt, wordt de premier overeind gehouden door ongebonden Kamerleden Van Vliet (oud-PVV) en Houwers (oud-VVD).

Maar toch. Het bleef hoogst opmerkelijk dat al die oppositiepartijen die het verdrag steunden, nu zo angstig voor de kiezer waren geworden dat zij de chef-onderhandelaar van het land geen onderhandelingsruimte meer gunden.

Zelfs Kees van der Staaij, het ‘staatsrechtelijk geweten van de Kamer’, boog schichtig voor de mogelijk boze kiezer.

Het meest bijzondere hieraan vond ik nog wel dat al die oppositiepartijen, noch de redders van de democratie, oog hadden voor lage opkomst (32 procent) en, belangrijker, de 39 procent die vóór het verdrag stemde.

Begrijp ik het goed dat we met het raadgevend referendum dan ook het respect voor de stem van minderheden hebben afgeschaft?

Het ergste van dit alles: de tactische positie die Rutte van de oppositie vroeg, is verreweg de slimste optie die het land nu heeft.

Dat zit zo. Als Nederland zijn nee nu al effectueert is het Oekraïneverdrag voor de hele EU van tafel. Rutte redeneert dat juist een klein formeel uitstel van het Nederlandse nee een sterke onderhandelingspositie schept: zolang Nederland het nee niet formaliseert, heeft het de beste kansen op tegemoetkomingen van lidstaten die erg aan het verdrag hechten.

Dus wat de oppositie, tot en met Van der Staaij (SGP), deze week op de mat legde, was niet zozeer een rationele maximalisatie van de Nederlandse positie, maar een knieval voor de grote bek van de neen-stemmers.

Een knieval, bovendien, voor het grootste manco van het populisme: de misvatting dat je dingen kunt veranderen door ze te benoemen – in plaats van er iets aan te doen.

Het onderstreept het probleem van Nederland en zijn politiek. Je zou hopen dat je manieren vindt om terug te keren naar debatten met normale woorden en een normale toonhoogte. Naar debatten zonder stelselmatige overdrijving (red de democratie) en compromisloze eisen van grote bekken (NEE is NEE).

Naar debatten waarin niet iedereen in onbescheidenheid eigen posities en opvattingen opeist – maar waarin mensen contact weten te maken: met andersdenkenden, met andermans kennis, en met oplossingen.