Familielevens op de divan

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Willeke Stadtman (1950) groeide op als oudste dochter van een vader die fout was in de oorlog en daarna fout blééf, met rampzalige gevolgen voor zijn vrouw en hun vier kinderen. De moeder – zelf dochter van fanatieke NSB’ers – liet zich jarenlang door haar echtgenoot in elkaar slaan en anderszins vernederen waar de kinderen bij waren. Willeke had het geluk dat ze goed kon leren en naar het gymnasium en de universiteit mocht om medicijnen te studeren. Met de anderen liep het minder goed af. Haar broer Wilfred pleegde in 2000 zelfmoord. In zijn nalatenschap trof ze de aanzet voor zijn autobiografie aan, het boek dat hij had willen schrijven over zijn verschrikkelijke leven en dat zijn zus nu schitterend voor hem heeft afgemaakt.

In Op voet van oorlog [1] reconstrueert Stadtman het oorlogsverleden van haar ouders en grootouders en de gevolgen daarvan. Vader Stadtman ramde het meubilair en zijn vrouw in elkaar als ‘de Jood’ Loe de Jong op tv verscheen, hij braakte antisemitische kreten uit bij de geboorte van zijn eerste kleindochter omdat de vader Joods was en bleef tot zijn laatste snik de Holocaust als een leugen bestempelen. Waarom zijn dochter niet al in een vroeg stadium met hem en haar opportunistische moeder brak, verklaart ze uit het medelijden dat ze haar hele leven met hen is blijven voelen. Zelden zijn foute ouders zo genadeloos geportretteerd als in Op voet van oorlog: een nuchtere maar tegelijk bloedstollende rapportage van een gedreven schrijfster die geen moment in de slachtofferrol kruipt en niets wenst te vergoelijken.

Ook Miriam Merzbacher-Blumenthal (1927) verloor haar broer. Peter Blumenthal werd op 21 oktober 1941 in Mauthausen vermoord. Het Joodse gezin vluchtte in 1937 vanuit Berlijn naar Amsterdam en werd vandaar weggevoerd naar Westerbork. Samen met haar moeder en grootmoeder overleefde Miriam Theresienstadt, terwijl haar vader in Auschwitz werd vergast. Na de bevrijding vertrokken ze naar de Verenigde Staten, waar ze er met heldenmoed in slaagden een nieuw leven op te bouwen. Optimisme en hoop waren hun redding. In Een meisje uit Berlijn [2] tekende Miriam Merzbacher de herinneringen aan haar familie en aan haar kampervaringen op. Twaalf wonderschone verhaaltjes, waarvan die over haar broer Peter het meest ontroeren.

'De wereld zelf is lieflijk te aanschouwen,/ mooier de wereld die de dichters dichten -/ Op bonte, heldere of zilvergrauwe/ velden, dag en nacht, stralen er lichten./ Hoe heerlijk is dat alles, bleef het maar!/ Door liefdes loep zie ik de wereld zonneklaar.'

Goethe publiceerde in 1819 zo’n 200 gedichten in West-oostelijke divan (Perzisch voor ‘verzameling’) [3] die voor het eerst integraal en bijzonder knap zijn vertaald door Ard Posthuma. Elk van de twaalf ‘boeken’ is in het nawoord van een beknopte aantekening voorzien, maar wie alles wil begrijpen wordt verwezen naar de becommentarieerde uitgaven van de brontekst.

Het is af en toe hard werken geblazen voor de lezer, erkent Posthuma: de gedichten vormen een bonte mengeling van thema’s en motieven met verborgen samenhangen, in een wirwar van vormen. Goethe was geïnspireerd door de in 1812 in het Duits vertaalde poëzie van de veertiende-eeuwse Perzische dichter Hafez, studie van de Koran en andere Arabische en Perzisch teksten. Maar vooral door zijn voorstelling van de Oriënt als het beloofde land van de poëzie, waar de dichter heen reist, weg uit het door de napoleontische oorlogen geteisterde Westen, de Liefde tegemoet: ‘In duizend vormen kun jij je onttrekken, Al-allerliefste, toch herken ik je,/ Laat toversluiers je gezicht bedekken,/ Toch, Al-aanwezige, herken ik je.’

Goethes tijdgenoot, de Britse romantische dichter Wordsworth, situeerde het geïdealiseerde landschap van de verbeelding in het bergachtige Lake District in noordwest Engeland, waarvan hij de woeste schoonheid bezong. James Rebank (1974) had nog nooit van Wordsworth gehoord toen hij als schooljongen het gebied, waar zijn familie van generatie op generatie haar schapen weidde, hoorde beschrijven als speelterrein van een rondtrekkende troep klimmers, dichters, wandelaars en dagdromers. In Het herdersleven [4] contrasteert hij het schitterende wandelgebied (16 miljoen toeristen per jaar, die je overigens nauwelijks ziet als je er rondzwerft) met het Lake District van de mensen die er al eeuwenlang wonen, de gemeenschap van herders en kleine boeren, die leven in het ritme van de seizoenen.

Op dat ritme van zich ontvouwende seizoenen is het boek geschreven. Rebank werkt er als schaapherder, net als zijn vader, zijn grootvader en voorgaande geslachten. Behalve een liefdevolle geschiedenis van het landschap en van een boerenfamilie, is dit boek een lofzang op de menselijke arbeid volgens de kringloop van de natuur.