Eeuwige domheid en hebzucht

Stiekem besloot minister Colijn in 1924 de bank Robaver met staatssteun te redden. Robaver ging later op in ABN Amro, een bank die een vergelijkbaar lot kende.

Spotprent van Albert Hahn waarin hij zinspeelt op de manier waarop de Robaver en Anton Kröller geld omzetten in waardeloze aandelen. Doe Illustraties komen uit besproken boek

Vasthouden, ten koste van alles! Minister van Financiën Hendrik Colijn liet er in de zomer van 1924 geen misverstand over bestaan. De Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver), een instelling die we tegenwoordig een systeembank zouden noemen, moest tegen elke prijs worden gered. Beleggers dumpten massaal hun aandelen van de door schandalen geplaagde bank en er dreigde een bankrun. Colijn liet daarom De Nederlandsche Bank ingrijpen: met stiekeme steunaankopen werd de Robaver overeind gehouden.

Voor wie de afgelopen jaren het financieel-economische nieuws heeft gevolgd, is het lezen van De vergeten bankencrisis van historicus Lodewijk Petram één grote aha-erlebnis. Megalomane bankdirecteuren, grote hoeveelheden goedkoop geld op zoek naar rendement, gewaagde aandelenemissies en een minister van Financiën die de rekening moet betalen als het kaartenhuis in elkaar stort – het begin van de 20ste eeuw leek veel op dat van de 21ste.

Bij dit boek dringt zich vanzelfsprekend de vergelijking op met De Prooi, Jeroen Smits klassieker over de teloorgang van ABN Amro. En het moet worden gezegd: De vergeten bankencrisis doorstaat die vergelijking bijzonder goed. Waar Smit kon spreken met tal van betrokkenen, moet Petram het doen met oude bronnen als notulen van directievergaderingen, maar op de spannendste momenten is De vergeten bankencrisis een pageturner.

Argusogen

De hoofdrolspeler in het door Petram nauwkeurig gereconstrueerde financiële drama is Willem Westerman – een selfmade man uit Amsterdam die het in 1908 had geschopt tot president-directeur van de Rotterdamsche Bank. Onder Westermans leiderschap ging de bank agressief op het overnamepad. Na een fusie met de Deposito- en Administratie Bank in 1911 veranderde de naam in de Rotterdamsche Bankvereeniging, kortweg Robaver. In datzelfde jaar plantte Westerman zijn vaandel in Amsterdam, waar zijn bezigheden al een tijd met argusogen werden gadegeslagen door zijn grote concurrenten: de Amsterdamsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM).

Westerman wilde niet alleen geld verdienen met het beheren van spaargeld en het verstrekken van leningen, hij wilde ook aandelenemissies op de beurs kunnen begeleiden. Dat was toen alleen toegestaan aan banken die in hoofdstad waren gevestigd. De Robaver nam daarom een eeuwenoude Amsterdamse beursfirma over. Piet van Tienhoven, een bankier die er een zeer gewiekste wijze van zakendoen op nahield, kreeg er de touwtjes in handen. Petram beschrijft hem als ‘de roverhoofdman’ van de Amsterdamse vestiging. Onder Van Tienhovens leiding stortte de Robaver zich vol overgave in de beurshandel en begeleidde emissies van bedrijven met fantastische namen als Transoceana, Compañía Mercantil en Furness-Stokvis.

De opmars van de Rotterdamse bank vond plaats in een turbulente tijd. De Eerste Wereldoorlog liet de Nederlandse economie niet onberoerd: sommige bedrijven deden goede zaken en na de vrede in 1918 kende het optimisme geen grenzen. De economie groeide onstuimig en de Robaver gaf leningen aan iedereen.

Een van de cliënten die goede zaken deed tijdens en direct na de oorlog was Wm.H. Müller & Co, het bedrijvenimperium van Anton Kröller, echtgenoot van de bekende kunstverzamelaar Helene Kröller-Müller. Het conglomeraat van dit echtpaar was met afstand de grootste klant van de Robaver en er bestond een innige band tussen bedrijf en bank, niet alleen financieel maar ook bestuurlijk. Die verknoping van functies zorgde ervoor dat de lijnen lekker kort waren, maar had als nadeel dat toen het nodig was, de Robaver moeilijk van Müller kon eisen om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.

Het moment waarop bij Müller had moeten worden ingegrepen, kwam toen de oververhitte economie begon af te koelen. Veel bedrijven bleken helemaal niet zo goed te lopen als iedereen dacht. Een aantal daarvan was door de Robaver naar de beurs gebracht en dit leidde tot wantrouwen jegens de bank. Wat deugde er nog meer niet aan hun prospectussen, en hoe zat het met hun eigen boekhouding? Werden daarin de zaken niet veel te mooi voorgespiegeld?

Beleggers dumpten hun Robaver-aandelen. Om de koers niet te ver te laten zakken, kocht de bank die vanaf 1920 zelf op. Om deze aandelen uit de boeken weg te werken, werden ze, in ruil voor nog meer krediet, overgenomen door Wm.H. Müller. Daarmee had de Robaver zich overgeleverd aan Kröller, die dringende oproepen om eindelijk zijn leningen eens af te lossen met gerust hart naast zich neer kon leggen.

Dit soort boekhoudkundige trucs mocht uiteindelijk niet baten. Ook de aftocht van Westerman en de aanstelling van een nieuwe directeur, die nota bene afkomstig was van de Amsterdamsche Bank, konden nerveuze beleggers niet kalmeren. De grootste bank van Nederland stond eind juni 1924 op omvallen.

Dat wilde minister van Financiën Hendrik Colijn niet laten gebeuren. Hij gaf De Nederlandsche Bank – toen nog een commerciële bank die voor 90 procent in handen was van de Staat en het recht had geld te drukken – toestemming de Robaver van extra liquide middelen te voorzien en op grote schaal het aandeel van de geplaagde instelling te steunen. Colijn vond het niet nodig de Tweede Kamer of het grote publiek hierover in te lichten. De actie had succes, want de Robaver kwam in rustiger vaarwater en zou er later in slagen het geleende geld terug te betalen.

Zieke staat

Het duurde tot 1927 voor de Tweede Kamer eindelijk over de reddingsoperatie te spreken kwam. Vooral de filippica’s van Willem Vliegen, vicefractievoorzitter van de SDAP, zijn ook een eeuw later nog een genoegen om te lezen. Het was Vliegen niet ontgaan dat bankiers zich in de jaren voor de crisis nogal laatdunkend hadden uitgelaten over politici. De zoon van Willem Westerman, die ook bij de Robaver werkte, had een boekje geschreven waarin hij schamperde over hun geringe economische kennis: ‘Geef iemand een werktuig in handen, dat hij niet in staat is te gebruiken, en hij zal er ongelukken mee maken’. Nu reageerde Vliegen daarop: ‘Ja, mijnheer de voorzitter, dat zijn wij eens! (...) Het merkwaardige is dat wij nu die ongelukken moeten goedmaken; nu moet de “zieke staat” dat “gezonde bedrijfsleven”, zooals het door de heeren wordt beheerd, weer trachten in orde te brengen.’

De debatten leidden niet tot een tik op de vingers van Colijn, die inmiddels geen minister van Financiën meer was. Die rol vervulde nu Dirk Jan de Geer. Van een meer gestructureerd toezicht door De Nederlandsche Bank moest De Geer niets hebben. Het drama met de Robaver betrof een bijzonder geval, meende hij, ‘dat wij waarschijnlijk in een eeuw niet terugkrijgen’.

Zoals wij nu weten, trok de bewindsman deze conclusie iets te lichtzinnig. In 2008 moest ABN Amro – de bank waarin de Robaver uiteindelijk is opgegaan – gered worden met miljarden euro’s belastinggeld. Hebzucht en domheid zijn van alle tijden. Op een fraai hoofdkwartier, ergens ter wereld, is vast ook nu een Willem Westerman bezig zijn bank op te stoten in de vaart der volkeren – koste wat kost.