Deze Prius is een buitenissige bak

De nieuwste Prius oogt als een vervormde grasmaaier. Maar het is de eerste Prius die rijdt als een auto, vindt Bas van Putten

De nieuwe Toyota Prius bij Toyota Louwman Den Haag. Op de foto hostess Karin Jochems - van den Akker. Foto Peter de Krom

De Prius-kwinkslag is de nieuwe Belgenmop. Post een foto van de moeder der hybrides op sociale media en het venijn begint te stromen. Lullobak, gedrocht, een ramp. Fans zijn er overigens ook, die zijn onooglijkheid juist vertederend vinden, maar de hooligans hebben zoals meestal de langste adem.

Hun haat blijft intrigeren. De nieuwe Prius demonstreert een gapend gat tussen zijn burgerstigma en zijn wezen. De vierde generatie van de zuinigste Toyota met het slaapstedenimago is namelijk de meest excentrieke auto op de markt. Zijn bewezen ecologische vernuft maakt dat die extremen elkaar kunnen raken. Er rijden brave mensen in, die het beste met het milieu voor hebben, en het ontwerp als liefdesoffer voor het goede doel door de vingers zien.

Dat wordt nu lastiger. Bleef de gestroomlijnde lompheid van vorige Priussen binnen de grenzen van het burgerlijk aanvaardbare, bij de opvolger verkeert het streven naar de optimale verbinding van ruimte en zuinigheid in een buitenissigheid die Citroën niet zou aandurven.

Hij lijkt sterk op de Mirai, de waterstofauto die Toyota vorig jaar onthulde. De achterlichten staan als halfverdraaide en bij nacht vlammende toortsen op de hoeken, met liggende uitlopers die als gestileerde vlammen in de flanken steken. De spoilertafelberg die de achterruitpartij in tweeën snijdt, is in het verlengde van de wigvormige portierlijn als een kuisheidsgordel om het glas getrokken. Onmogelijk gevormde, hoog opkruipende koplampen omklemmen als weerhaken de lage neus. De volumineuze carrosserie lijkt de niet eens petieterige 17 inch-wielen van de Dynamic- en Executive-versies te verpletteren. Het instapmodel Aspiration oogt met zijn kleinere velgen, die hem nog net iets zuiniger maken dan de duurdere broeders, als een bizar vervormde grasmaaier.

Ook het interieur slaat de esthetica doortrapt baldadig om de oren. Verleden tijd is de elegante zwevende middenconsole van de Prius II en III, die in een flauwe helling naar de middentunnel afdaalde. Het van het vorige model bekende minuscule automaatpookje steekt als een fallisch kraantje uit het dashboard, zwevend boven een in glanzend wit gespoten badkuipvormig aflegvak dat nog het meest aan een bidet doet denken – een schattig vies gezicht. De middenconsole met de multimedia en de ventilatieroosters is als een verchroomde klokgevel op het dashboard geplakt. Een tweede, digitaal instrumentenpaneel onder de voorruit verstrekt na elke rit een overzicht van de verbruiksresultaten, paternalistisch opgedoft met een efficiency-percentage voor je verbruik en vrome rijadviezen. Ik doe het niet eens slecht: „Good starting acceleration; decrease acceleration to improve.” Gestaag verlangzamend kom ik tot 90 procent – een 9; coma cum laude.

Ik was geroerd door het engagement waarmee Chris Bangle, oud-designchef van BMW, het zwarte schaap in bescherming nam. Wie de Prius lelijk durft te noemen, zegt hij in een YouTube-filmpje, begrijpt niet dat Toyota zich met de auto in een „entirely different sphere of aesthetics” heeft begeven, die voor de klassieke autoliefhebber anathema is maar voor de manga-generatie vette shit. Lief gezegd, al is het niet de pointe. De vorm wordt uitsluitend bepaald door twee factoren: de windtunnel en de ruimtevretende techniek, die de binnenruimte van de als gezinswagen bedoelde Prius niet mag aantasten. De luchtweerstandscoëfficiënt is met 0.24 extreem laag en het accupakket is voor het eerst compleet onder de zitting van de achterbank gepropt, waardoor het niet aan de bagageruimte tornt; die is net als de zitruimte achterin riant voor een auto in zijn prijsklasse.

Spaarvarken op wielen

Verder interesseert het de Japanners niets hoe wij over hun monstrum denken. De enige Prius-maatstaf is het verbruik. Daarin overtreft hij zijn al voorbeeldige voorganger ruimschoots. Met mijn beste score van bijna 1 op 30 benader ik de fabrieksopgave. Op lange, kalme snelwegritten rijdt de auto soepel 1 op 25. Ik ken geen hybrides en maar weinig diesels die dit beter kunnen. En het is niet eens een plugin.

Tenslotte is dit de eerste Prius die rijdt als een auto. Dat is opmerkelijk omdat het rijgedrag voor Toyota nooit hoge prioriteit had, het was voornamelijk een spaarvarken op wielen. Deze stuurt vrij precies en voelt vlotter aan dan de vorige, hoewel het totaal beschikbare vermogen daalde van 136 naar 122 en het gewicht ongeveer gelijk bleef. Behendiger dan ooit schakelt de aandrijflijn tussen benzine- en elektromotor. Deze briljante Quasimodo verdient een lager bijtellingpercentage dan de 21%-schaal die hem klakkeloos over één kam scheert met fossiele routiniers. Twee afzeikpunten maar: de schakelaars voor de stoelverwarming zijn onbereikbaar en het voetpedaal voor de handrem is een sta-in-de-weg.