De vrouw is een mens. Dat is het uitgangspunt

Feministen zijn net mensen, schrijft Wiegertje Postma. Dus windt de een zich op over roze speelgoed en de ander over prostitutie. Dat mag.

Uit de serie ‘Features of Femininity’ van Daantje Bons

Na mijn eindexamen in 2005 kreeg ik van mijn filosofieleraar een afscheidscadeautje. Het was een boek uit 1951, met de titel De Vrouw en geschreven door Frederik Buytendijk, medicus, psycholoog en schrijver. De Vrouw is een ‘existentieel-psychologische studie’ over de vrouw en, volgens de ondertitel, ‘haar natuur, verschijning en bestaan’.

In de studie onderzocht Buytendijk de vrouw aan de hand van de volgende hoofdstukken: 1. De problematiek van het vrouwelijke zijn. 2. Het intuïtief begrip van het wezen der vrouw. 3. De vrouwelijke natuur. 4. De vrouwelijke verschijning (onderverdeeld in haar gestalte en gelaat, de jeugdigheid, de symmetrie, de stem, en de ‘geheimzinnige innerlijkheid van de vrouw’) en 5. De bestaanswijze van de vrouw (waarin hij dieper ingaat op haar ‘dynamiek’, haar ‘zorgend in de wereld staan’, haar ‘verhouding tot het eigen lichaam’ en het concept ‘moederlijkheid’).

Ik heb er inmiddels elf jaar de tijd voor gehad, maar ik heb Buytendijks boek nog steeds niet van A tot Z gelezen (waarvoor excuses, meneer Van Poortvliet!). Het is namelijk nogal taaie kost. Toch heeft de eerste zin van Buytendijks verantwoording voor in het boek mij enorm geïnspireerd in mijn dagelijkse doen en laten. Die luidde: „Het uitgangspunt van deze studie is geweest, dat de vrouw een mens is.”

De vrouw is een mens. Een boude uitspraak, waar Buytendijk gezien de uitgebreidheid van zijn studie dus volledig achter durfde te staan. De vrouw is een mens en heeft ‘een gewone mensenziel’. Het idee dat de vrouw een mens is, is sinds Buytendijks studie wel meer in zwang geraakt, maar er zijn ook nog genoeg mensen die er meer dan een halve eeuw later nog altijd wat sceptisch tegenover staan, of bij wie de gedachte gewoon niet opkomt.

Dat is bijvoorbeeld het geval in Nigeria waar aanhangers van Boko Haram honderden meisjes uit hun natuurkundeles ontvoerden om als seksslaven te dienen. Of in Nederland, waar een vrouw die haar mening geeft vaak het dringende advies krijgt om er toch vooral een piemel in te laten steken.

Je zou Buytendijk een feminist kunnen noemen, aangezien hij in 1951 dus al de bekende quote ‘Feminism is the radical notion that women are people’ onderschreef (in 1986 voor het eerst geopperd door Marie Shear in haar recensie van A Feminist Dictionary van Cheris Kramarae en Paula Treichler).

Er zijn veel consequenties verbonden aan de erkenning dat een vrouw vooral een mens is. Bijvoorbeeld: erkennen dat vrouwen, net als andere mensen, niet alleen door hun (secundaire) geslachtskenmerken gedreven worden in hun handelen en oordelen. En: erkennen dat vrouwen, net als andere mensen, in allerlei verschillende soorten, geuren en smaken kunnen bestaan – niet alleen in ‘aardbei’.

Vaker dan nodig gaan opinieartikelen, debatavonden of Facebookdiscussies over het concept ‘feminisme’ zelf, over de vraag of iets wel of niet feministisch kan of mag zijn. Is het wel feministisch om te klagen over roze speelgoedstrijkijzers als verkrachting als massavernietigingswapen in oorlogen wordt ingezet? Mag Beyoncé het woord ‘feminist’ wel gebruiken als ze haar indrukwekkende financiële onafhankelijkheid deels heeft bereikt door succesvol in een stalen bikini over een podium te tijgeren? Mag Lena Dunham het woord ‘feminist’ wel gebruiken als er alleen witte zeurmeisjes in haar serie spelen? Is het wel feministisch om te twitteren in plaats van de barricades op te klimmen? Is het wel feministisch om prostitutie af te willen schaffen? Is het wel feministisch om prostitutie níet af te willen schaffen?

Het is zo zonde om lang op de vraag ‘is dit wel of niet feministisch?’ te blijven harken. Als je accepteert dat vrouwen mensen zijn, moet je ook accepteren dat vrouwen van mens tot mens verschillende ervaringen en opvattingen hebben. Dat feministen van mens tot mens verschillen, en verschillende ervaringen en opvattingen hebben.

Over één ding moeten feministen het wat mij betreft per se eens zijn: de wereld hangt aan elkaar van lelijke machtsstructuren die tot verschillende vormen van onderdrukking leiden, en die machtsstructuren moeten gezien, benoemd en gesloopt worden. Die machtsstructuren zijn afhankelijk van sekse, maar ook zeker van huidskleur, religie, seksuele voorkeur, sociale klasse. Feministen hoeven het niet collectief eens te zijn over welke van die structuren het eerst tot op de grond toe afgefakkeld moet worden, of waar dat precies eerst moet gebeuren.

Er wordt wel eens gezegd dat de vrouwenbeweging met één stem moet spreken. Dat het feminisme een vastomlijnde agenda moet hebben, een puntenplan. Omdat het anders niet krachtig genoeg kan zijn, geen vuist kan maken om het patriarchaat een rake stomp mee te kunnen uitdelen. Maar als we mensen zijn – en we zijn met ongeveer de helft van wereldbevolking –, dan kunnen we het simpelweg nooit helemaal met elkaar eens zijn over alles. Wie van ons eist dat we met z’n allen een puntenplan opstellen om de boodschap helder te maken, neemt niet de moeite naar ons te luisteren, en hoopt dat we tot in de oneindigheid met elkaar gaan lopen ruziën over waar en hoe te beginnen.

De puntenplannen hebben voor eerdere generaties feministen fantastisch gewerkt, en daar hebben we in het Westen alles aan te danken, maar de strijd voor gendergelijkheid is hier zo ver dat er in Nederland niet meer over één concreet doel te praten valt.

We hebben tekeningsbevoegdheid, kunnen over onze lichamen beslissen, kunnen financieel onafhankelijk zijn. Vrouwen zijn voor de wet gelijk aan mannen, maar maatschappelijk gezien zijn mannen en vrouwen lang niet altijd gelijkwaardig.

Wat is voor Nederlandse feministen dan het belangrijkst om de wereld uit te helpen? Opgedrongen genderrollen bij kinderen? De betutteling en dehumanisatie van vrouwen met een hoofddoek? Het gebrek aan vaderschapsverlof? Seksistische bierreclames? De hyperseksualisering van zwarte vrouwen? Gesis op straat? Dat er geen vrouwentepels op sociale media mogen? Verkrachtings- en doodsbedreigingen voor vrouwen die hun mening geven? Te weinig vrouwen in de top van de politiek en het bedrijfsleven? Geweld tegen LGBT’ers? Dat er roze Bic-pennen worden gemaakt, die speciaal voor vrouwen bedoeld zijn?

Een puntenplan impliceert een beperkte hoeveelheid tijd, waarin een aantal geprioriteerde doelen volbracht moeten worden. Maar bij vrouwenrechten, gelijkwaardigheid of het uitbannen van seksisme gaat het niet meer om ‘of - of’, maar om ‘én, én, én, én, én, én, én’.

We hoeven niet één stompende vuist te zijn, maar we moeten één groot alles ontregelend leger worden dat je patriarchaat voorgoed bezet. Een leger dat zich hard maakt voor de rechten en lichamelijke integriteit van alle vrouwen, én dat een bepaald merk bier niet meer koopt. We moeten de helft van de ruimte opeisen en vullen. We hoeven het niet met elkaar eens te zijn over alles wat we veranderd willen zien, maar we moeten wel zorgen dat we elkaar niet vertrappen: witte vrouwen moeten luisteren naar de ervaringen van niet-witte vrouwen, en die niet-witte stemmen zo veel mogelijk versterken, zonder ze te overschreeuwen. We moeten zorgen dat kwesties en problemen van vrouwen – van alle achtergronden – ook de norm worden, dat het niet meer vrouwenkwesties zijn, maar mensenkwesties.