Column

De Cito-toets mag het zeggen, ook al heeft hij zo zijn makkes

De Citotoets waarmee achtstegroepers in Nederland sinds 1966 hun basisschooltijd afsluiten was bedoeld om zo objectief mogelijk te beoordelen welk voortgezet onderwijs het beste bij hen paste. Sinds 2015 is hij verplicht, maar werd ook minder belangrijk. Doordat ‘de Cito’ voor veel hoogopgeleide ouders synoniem werd met een toelatingsexamen voor een geslaagde toekomst, doen ze er bij twijfel veel aan om de resultaten op te krikken. Ze betalen bijvoorbeeld een training. Waardoor gemeten dreigt te worden hoe handig zo’n kind die toets maakt, en minder of het de bagage heeft voor een bepaalde opleiding.

Allengs werd de Citotoets minder hoog aangeslagen, ook omdat hij welbeschouwd een momentopname is. Het ministerie van Onderwijs maakte per 2015 dan ook het advies van de leerkracht doorslaggevend voor de schoolkeuze van diens leerlingen, ten nadele van de Cito.

Nu, een jaar later, wijst de Staat van het Onderwijs, het jaarverslag van de onderwijsinspectie, erop dat kinderen van laagopgeleide ouders gezien hun Cito-score vaker een te laag schooladvies krijgen. Daarbovenop blijkt dat het zogeheten dubbeladvies, waarbij een leerling geschikt bevonden wordt voor twee soorten voortgezet onderwijs hun geen recht doet. Hoogopgeleide ouders zetten dan standaard in op het hogere schooltype. Laagopgeleide ouders houden het op het lagere type.

De minister van Onderwijs reageerde geschrokken. Als dit volgend jaar niet veranderd is, zal het belang van de Citoresultaten weer opgewaardeerd worden ten nadele van het advies van de leerkracht. Leerkrachten zijn menselijk, hun oordeel vellen ze eerlijk maar deels subjectief. Bij een hoge Citoscore zou dat verplicht moeten worden bijgesteld.

Alles bij elkaar genomen lijkt het er toch op dat de Citotoets, met al zijn makkes, een geschikte manier is om te meten in welke richting de leerling het moet zoeken. Dat goedbedoelende hoogopgeleide ouders de Cito-resultaten vertroebelen door hun kinderen buitenschools voor te laten bereiden, maken de resultaten van de leerling met de laagopgeleide ouders des te onontkoombaarder. Want die doet de toets op eigen kracht. Scoort zo’n kind goed en dreigt het niettemin te belanden op een niet bij die resultaten passend schooltype, dan moet de schoolleiding alert zijn en direct onderzoeken hoe dit mogelijk is. Waarom adviseert de leerkracht dat type school? Wat is de invloed van de ouders? Dat laagopgeleide ouders zo op zeker spelen dat ze geneigd zijn hun kinderen ‘veilig’ te laten kiezen, is een gegeven waar rekening mee gehouden zal moeten worden. Want los van de vraag of ‘hoger’ altijd de betere keuze is dan ‘lager’, lijkt het onderwijs nu ongelijke kansen voor leerlingen met verschillende achtergronden in de hand te werken.

De ouderlijke houding kan het voor alle leerlingen, ongeacht hun milieu, moeilijk maken om hun capaciteiten ten volle te benutten. Zelfs de 12-jarige die al weet wat hij of zij wil, zal zich niet licht onttrekken aan het ouderlijk verwachtingspatroon (zowel met een voorkeur voor hoger als voor lager onderwijs).

Al met al moet er alles aan gedaan worden om alle leerlingen naar het schooltype te geleiden dat het best past. Waar ze ook geboren zijn, ze horen niet te worden gefnuikt in hun toekomstperspectief. En dat geldt voor beide kanten van de kloof: wie te hoog reikt zit even klem als wie te laag grijpt.