Brieven

Zijn boek was niet het enige

Net als Schelvis doen ook de necrologie en het hoofdredactionele commentaar (beide 5/4) op zijn overlijden het voorkomen alsof zijn boek Vernietigingskamp Sobibor (De Bataafse Leeuw, 1993) de eerste en enige Nederlandse publicatie is op dit vlak.

Dat is onjuist. In de inleiding maakt Schelvis melding van het feit dat „het raadselachtig blijft waarom van 2 maart tot 20 juli 1943 negentien treinen uit Nederland juist naar Sobibor reden” (pag. 13).

Deze formulering is vrijwel letterlijk de titel van het boek dat Elsevier in 1979 publiceerde met als titel De negentien treinen naar Sobibor. Mijn vader, Elie Aron Cohen, huisarts in Arnhem, schreef dit boek.

Het hoofdredactionele commentaar stelt het aantal getransporteerde Joden – 34.313 – gelijk met het aantal vermoorde Joden. Dat is bijna, maar net niet helemaal waar.

Mijn vaders boek had niet voor niets als ondertitel: „Een KADDISH voor 34294 Joodse mannen, vrouwen en kinderen. Zij werden in 1943 door de bezetter vanuit Nederland naar Sobibor gebracht”.

Het verschil van 19 personen licht hij als volgt toe:

„Van de Nederlandse Joden die naar Sobibor werden gedeporteerd, zijn er 19 teruggekomen, 16 vrouwen en drie mannen. Van deze 19 zijn er 17 niet verder dan de ingang van Sobibor geweest, zodat er slechts twee, een Nederlandse en een Duitse Jodin, het Vernichtungslager Sobibor betreden en overleefd hebben” (pag. 22).

Waarom Schelvis tot „in totaal achttien overlevenden” (pag. 223) komt, dat wil zeggen één overlevende minder, is mij niet duidelijk.

Hoe dat ook zij: Schelvis was de tweede Nederlandse auteur die op deze ene overlevende na, tot exact dezelfde getallen kwam als mijn vader veertien jaar daarvoor.

Uitgevers en auteurs

De trots van Van Oorschot

Uw correspondent Tijn Sadée bericht in zijn stuk Wie is bang voor Abou Jahjah? over uitgeverij De Bezige Bij (14/4):

„[…] In het verleden moest de uitgever schrijvers verdedigen die onder vuur lagen: Willem Fredrik Hermans (wegens het beledigen van katholieken, ‘het meest schunnige, onderkruiperige deel van ons volk’) en Gerard Reve, die schreef hoe hij een als ezel geïncarneerde God ‘langdurig in Zijn Geheime Opening’ bezat […].”

Ter voorkoming van sluipende geschiedvervalsing: ik ben er trots op dat uitgeverij Van Oorschot in deze beide zaken (1953 respectievelijk 1966-1968) pal stond naast en voor haar auteurs, in plaats van De Bezige Bij, die toen hun uitgever niet was, en ik zie deze ergerlijke onnauwkeurigheid dan ook graag rechtgezet.

Wouter van Oorschot

Uitgever in ruste

Juffrouw

Doe dan liever ‘meisje’

Frits Abrahams ondergaat onrustige nachten vanwege de aanroeptitel van jonge vrouwen in kroegen en in de detailhandel (14/4).

Niet nodig. Zeker op zijn leeftijd niet. Hij is zonder twijfel een charmante oudere heer die er nog best goed uitziet. En die kan zich bijna alles veroorloven.

Een dienster of winkelierster past wel op om raar te reageren tegenover een beschaafde grijsaard.

Ikzelf ben uitgekomen op: meisje! (Ik geloof dat ik het van mijn vader, een aantrekkelijke en verrukkelijke charmeur, heb overgenomen).

Alle vrouwen willen nog meisje zijn. Jong en begerenswaardig. En meisjes zijn dat.

Ik heb niet zelden dametjes van mijn eigen ruimschoots gevorderde leeftijd heel olijk met meisje of meisjes aangesproken, en dan glommen ze, even terugdromend naar hun romantische jaren.

Heerlijk moet dat voor ze zijn.

Frits, begin er maar eens mee!

Jan Dirk de Block