Column

Wetten

Deze week werd er gedebatteerd over de vraag of het nuttig zou kunnen zijn om een soort Parlementaire Enquête Light op touw te zetten naar aanleiding van de onthullingen in de Panama Papers, met openbare verhoren onder ede en opkomstplicht, maar zonder het tijdrovende vooronderzoek. Er lijkt zich een meerderheid af te tekenen voor het plan, maar de haast en de urgentie spatten er nog niet onmiddellijk van af.

De Panama Papers zijn de gelekte administratie van juridisch adviesbureau Mossack Fonseca in Panama, waaruit blijkt dat rijken van over de hele wereld belasting ontduiken door hun geld weg te sluizen naar fiscale paradijzen. Op zich wisten we dat al. „De grote verrassing is de enorme schaal”, zegt John Christensen, de oprichter van het Tax Justice Network, een specialist in de materie. Deze belastingconstructies zijn niet altijd illegaal. Binnen de bestaande wetten kun je er niet altijd evenveel tegen doen. Maar het wordt wel immoreel geacht, dus eigenlijk zouden we het wel willen bestrijden. Maar daarvoor moeten de wetten dus worden veranderd. Dat is een zaak van de politiek. Dus nu moeten de politici iets doen. De Parlementaire Enquête is het instrument dat we in Nederland hebben uitgevonden om politici de gelegenheid te geven de indruk te wekken dat ze heel gewichtig de onderste steen boven gaan krijgen, waarna er een rapport verschijnt met dringende aanbevelingen, waarna diezelfde politici vervolgens niets hoeven te doen omdat ze al alles hebben gedaan om de onderste steen boven te krijgen. De voorgestelde Mini-Enquête is daar een slap, tot nog minder verplichtend aftreksel van. En er is geen enkele reden om daar haast mee te maken. Als we maar weten dat onze politici er boven op zitten.

Dit gebrek aan urgentie heeft verschillende oorzaken. De belangrijkste is misschien dat niemand graag belasting betaalt. We hebben er begrip en zelfs heimelijk bewondering voor als slimmeriken er een sport van maken zo min mogelijk van hun zuurverdiende geld aan de fiscus af te dragen. De multinationals die van overzeese belastingparadijzen en Nederlandse brievenbusfirma’s profiteren, pakken we graag met fluwelen handschoenen aan omdat we denken dat ze de economie stimuleren en banen creëren. We willen ze niet graag wegjagen door onze wetten daadwerkelijk serieus op hen van toepassing te verklaren. We baseren er zelfs een raar soort concurrentie op, door het normaal te vinden dat landen met elkaar concurreren op belastingtarieven om zoveel mogelijk multinationals binnen te halen. Dat is een wedstrijdje wie bereid er het minste aan te hebben, een race naar de bodem, een oefening om elkaar te overtreffen in onverschilligheid.

Grotere urgentie zou gepast zijn. Wie van publieke voorzieningen profiteert zonder eraan mee te betalen, is een dief. Dit soort diefstal zou strafbaar moeten zijn. Bovendien is een bedrijf dat winsten wegsluist, een dief van burgers. Want we willen wel onze wegen, straatverlichting, ziekenhuizen en scholen en als de multinationals die hier zijn gevestigd daar niet aan mee betalen, moeten we zelf meer bijdragen. Nog erger is het misschien wel dat de allerarmsten ter wereld het grootste slachtoffer zijn. Landen als Angola en Congo worden beroofd van hun natuurlijke hulpbronnen door grote bedrijven die hun winst overzees wegzetten en geen cent investeren in nieuwe banen, onderwijs, zorg en infrastructuur.

Belastingontduiking is niet zoiets als golf, een spelletje voor de rijken, dat we weliswaar verachten maar oogluikend toestaan. Het is een misdaad en als het dat technisch niet is, omdat onze wetten tekortschieten, moeten we onze wetten onmiddellijk veranderen.