Waar komen al die kroegen vandaan?

De binnenstad telt steeds meer horecatenten. De oorzaak is het ruimere vergunningenbeleid door de crisis.

Anders dan andere grote steden, kende Rotterdam vroeger geen terrassencultuur. Sinds het rookverbod is dat snel veranderd. Foto Claire Droppert

De binnenstad van Rotterdam telt steeds meer cafés, kroegen en eettentjes. Maar zijn het er ook echt meer dan voor de Tweede Wereldoorlog, zoals de gemeente in de onlangs verschenen Binnenstadsmonitor stelt?

In 2015 telde de binnenstad 597 horecagelegenheden, staat in de Binnenstadsmonitor, een tweejaarlijkse studie van de gemeente. Het gaat daarbij om drank- en eetgelegenheden. Dat zijn er enkele tientallen meer dan de jaren daarvoor. „Maar in totaal nog altijd veel minder dan in 1928”, bijvoorbeeld, weet de Rotterdamse kroegenkenner en schrijver Joris Boddaert. „Toen had je er 1.400. Alleen op de Schiedamsedijk al zaten er 82.”

Reden van de vraag naar het kroegleven van voor de oorlog aan Boddeart is dat de gemeente een factsheet bij de onlangs verschenen Binnenstadmonitor gevoegd heeft waarop staat dat de binnenstad nu meer horecatentjes telt dan voor het bombardement van 14 mei 1940. „Ik vind het überhaupt niet nodig om die vergelijking te maken”, zegt Gerard Roijackers (SP), vicevoorzitter van de gebiedscommissie Centrum. „De stad is al lang weer opgebouwd. Rotterdam moet alles altijd weer zo overdrijven. Het gaat gewoon goed met de horeca in Rotterdam. Dat is hartstikke fijn. Maar dat moeten ze niet zo opblazen.”

Sociale verschillen

De horeca van voor de oorlog was groots, weet Boddaert die er drie boeken over schreef, met ondernemers zoals Cornelis Loos en Dirk Reese, die in de jaren 20 grand cafés aan het Hofplein en de Coolsingel openden. „De mensen die daar kwamen waren rijk, rijker dan nu. De sociale verschillen waren groter.”

Werklui van de haven en schepen gingen uit op Katendrecht. „Daar had je zo 60 kroegen. Het was er enorm alcoholisch.”

Maar sinds het vertrek van de havens uit de stad naar de Maasvlakte is dat verleden tijd. „Mijn indruk is dat er alleen maar minder kroegen zijn de laatste jaren, zeker sinds de jaren 90. Maar er is niemand die het precies bijhoudt. Het is gewoon niet te achterhalen.”

De groei van het aantal terrassen is wel evident. Anders dan steden als Amsterdam, Utrecht of Groningen kende Rotterdam nooit een terrasencultuur. Boddaert: „In de jaren 50 was hier geen terras te bekennen. Waarom niet? Geen idee. Ze waren er gewoon niet.”

Rookverbod

„Die terrasjestrend in de stad is ingezet toen het rookverbod er kwam”, zegt Ron Sterk, horecaondernemer. „Toen ik café de Witte Aap aan de Witte de Withstraat nog bezat, heb ik meteen een luifel voor de pui gemaakt. Verwarming en verlichting opgehangen, een paar goede stoelen neer gezet. Andere horeca-ondernemers deden dat ook.”

Toen de stoep te krap bleek omdat de terrassen uitdijden, vroeg hij de gemeente parkeerplaatsen op te heffen en ze bij de stoep te trekken. En dat gebeurde. „We konden de mensen gewoon niet meer kwijt.”

Maar de rek is er nu zo’n beetje uit. Bewoners balen van de drukte op straat en het geroezemoes tot laat op de avond voor hun deur. Sommigen willen dat cafés een inpandige rookruimte maken. „Maar dat zie ik niet zitten”, zegt Hermann Hell, eigenaar van café restaurant Sijff aan de Oude Binnenweg, NRCafé aan de Witte de Withstraat en Van Zanten aan de Meent. „Je zit met regels voor brandveiligheid, het gebouw moet aan bepaald eisen voldoen. De mensen moeten er maar aan wennen.”

Dankzij de crisis

Vraag is wat nu de echte oorzaak is van de groei van het aantal horecatentjes in de binnenstad. Toeristen? „Goed voor een paar procent van de omzet”, zegt Sterk. Economische groei? „Helpt ook een beetje.” Maar de échte groei is te danken aan de crisis van de voorgaande jaren, redeneert hij. Daardoor gingen winkels failliet en kwamen pandjes langdurig leeg te staan. „De gemeente begon vergunningen af te geven voor locaties waarvoor ze dat vroeger niet gedaan had”, zegt ook Hell. „Dat is de belangrijkste reden.”