Van privacy tot rijafstand: er is nog veel onduidelijk

De introductie van zelfrijdende auto’s is niet alleen een technische zaak. Ook veel regels moeten op de schop. Europa maakt nu een begin.

Vanaf 2019 kunnen zelfrijdende auto’s in heel Europa de weg op. Europese landen gaan de komende jaren hun nationale vervoersregels afstemmen en grensoverschrijdende tests uitvoeren. De digitale communicatie wordt gestandaardiseerd zodat auto’s informatie kunnen uitwisselen met elkaar en met de infrastructuur.

Dat hebben de transportministers van de 28 landen van de Europese Unie donderdag afgesproken in de zogenoemde Declaration of Amsterdam.

De verklaring beoogt samenwerking tussen autofabrikanten, nationale overheden en Europese instellingen. In de tekst wordt overigens een voorbehoud gemaakt over het moment van invoering van Europese regels. Regels voor ‘connected and automated driving’ „zouden gereed moeten zijn, indien mogelijk, in 2019”.

Voordat de zelfrijdende auto’s worden toegelaten moeten diverse problemen worden opgelost. Wetgeving over de minimale afstand tussen auto’s en het verplicht vasthouden van het stuur moet worden aangepast. Er moeten afspraken worden gemaakt over het delen van gegevens en het beschermen van privacy. Ook moet de veiligheid van de software en de betrouwbaarheid van internetverbindingen worden gegarandeerd. Er zijn gevolgen voor de telecom- en verzekeringsbranche.

Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD), gastvrouw van de ministers op hun bijeenkomst in Amsterdam, benadrukt dat er nu voor het eerst politieke afspraken zijn gemaakt over zelfrijdende auto’s. Ze maken het vervoer volgens de minister veiliger, duurzamer en efficiënter.

Daarnaast speelt een economisch belang: banen voor de Europese autofabrikanten. Via koepelorganisatie ACEA zijn zij bij de verklaring betrokken. Europese samenwerking is noodzakelijk om concurrenten uit de VS en Japan voor te blijven, volgens ACEA-vertegenwoordiger Erik Jonnaert.