Column

Twee karbonaden voor vijftien man

Johan Veldhuis, melkventer in ruste, zat op school in een klas met vijftig kinderen. „Jantje van de huisarts en Pietje van de notaris mochten vooraan”, zegt hij. „De kinderen uit de grote gezinnen zaten achterin. Dat waren de stommeriken.” Op zijn veertiende stuurde zijn vader hem naar de fabriek. Het was 1954, de textielindustrie bloeide nog en hij stond op een kist achter het weefgetouw, want ach, wat was hij een klein menneke. Na zijn militaire dienst ging hij naar de melkfabriek, in Oldenzaal.

„We leerden elkaar kennen bij het dansen”, zegt Anny Veldhuis. „Toch? Johan?”

„Joah, da’ geleuf ik wel.” Hij glimlacht. „Weet je nog toen ik voor het eerst bij jou thuis kwam? Ik keek mijn ogen uit. Jullie kregen allemaal een eigen halve karbonade.”

Zij: „Jij was gewend aan twee karbonaden voor het hele gezin.”

Hij: „Alleen op zondag.”

Anny komt uit een gezin met drie kinderen. Bij Johan waren het er dertien. Ze trouwden in 1967 en hij ging alle dagen met zijn melkwagen de deuren langs. Huis aan huis kwamen de vrouwen naar buiten en er waren erbij die wel tien liter per keer afnamen. Hij: „Ze maakten er zelf pap van. Of vla.”

Zij: „Ze waren allemaal thuis.”

Hij: „Als een vrouw niet thuis was, vond je dat raar.”

Toen kwam de yoghurt erin. En de vla. Vanille. Chocolade. Hopjes. In het begin kochten de klanten een half flesje, op zaterdag. Maar halverwege de jaren zeventig gingen de remmen los en overal kwamen supermarkten, waar alles tien cent goedkoper was. Johan Veldhuis werd SRV-man. Samen Rationeel Verkopen. Hij reed met een supermarktbus door de straten, tot het zinloos werd. De klanten reden hem in hun eigen auto vol zelf gehaalde boodschappen voorbij. „Ooit waren we begonnen met achttien melkventers”, zegt hij. „Ik was de laatste die het loodje legde.”

Dat was in 1989. In de binnendienst bij de melkfabriek kon hij niet aarden en toen de personeelschef zei dat hij er na veertig dienstjaren uit mocht, zei hij opgelucht ja. Daarna: tuinieren bij de directeur van de BAM, maaltijden rondbrengen voor Tafeltje Dekje.

Ze wonen in Ootmarsum, Anny en Johan Veldhuis. Vrijstaand huis, prachtige tuin. Hun kinderen hebben doorgeleerd, een ging naar de universiteit. De kleinkinderen worden „in weelde” grootgebracht, daar maken ze zich weleens zorgen over. Hij: „O, o, o, wat hebben zij het goed.”

Zij: „Daar kunnen ze niets aan doen.”

Hij: „Wij zijn altijd vooruitgegaan. Maar wat als de welvaart minder wordt? Wat als zij terug moeten?”

Zij: „Dat zal moeilijk zijn. Heel moeilijk.”