Column

Tussen Paulienen

Paulien Cornelisse organiseerde een avond in de Kleine Komedie ter promotie van haar boek De verwarde cavia. Ze had een aantal vrienden en bekenden uitgenodigd om ‘iets’ te doen, ik hoorde daar ook bij. Na afloop belandde ik tussen Paulien Cornelisse-fans, van wie sommigen een niet te vergeten indruk op me maakten.

Voor die vrouwen stond Paulien Cornelisse voor een manier van leven, een manier van zijn. Ik bewonderde Paulien Cornelisse ook, maar dat was toch van een andere orde.

„Ze heeft over mijn hartje gepist”, zei een mij onbekende vrouw. Ze trok er een gezicht bij alsof je daarvoor heel goed moest mikken. „Ik krijg bij alles wat Paulien zegt het gevoel van ‘dat heb ik ook’.”

Haar vriendin kwam erbij staan: „Dat heb ik ook.”

Daarna tegen mij: „Jij hebt dat zeker niet?”

Ik had kunnen knikken, ik had ‘ja’ of ‘nee’ kunnen zeggen, maar in plaats daarvan zei ik dat er – goed verborgen – in Paulien Cornelisse een commercieel beest woonde en dat ik dat bewonderde. Een half uur na afloop zat ze tenslotte nog steeds boeken te signeren.

„Maar dat is dan wel een lief dier, toch?”, zei een van de vrouwen met wie ik deze gedachte niet had moeten delen.

Buiten was ik de enige die rookte, de rest stond er vanwege ‘lekkere, frisse lucht’.

Er hing daar een zwerfster rond. Zelf was ik zover dat ik vragen om muntgeld met een kort en afgemeten ‘nee’ beantwoordde. Zo niet de Paulien Cornelisse-fans, die haalden hele toeren uit. Zakken werden beklopt, het werd aan elkaar gevraagd (‘Heb jij nog muntgeld, die mevrouw heeft het nodig’) en er was er zelfs eentje die, terwijl ze een euro in de lucht hield, er speciaal nog even voor naar buiten kwam.

Daarna een gesprek met iemand met een gek groen mutsje, die aftrapte met de mededeling dat je van goeden huize moest komen om haar gezelligheid onderuit te halen. Ze zei: „Ik vind jou niet typisch Paulien, mijn verstand zegt ‘nee’, maar m’n gevoel zegt ‘kom hier, dan krijg je een knuffel!’ Heeft Paulien dat ook?”

Ik hoefde niets te zeggen.

De vrouw: „Typisch Paulien! Leuk!”

Een man kwam vragen of ik tegen Paulien wilde zeggen dat hij en de vriendin speciaal met een pipowagen vanuit Groningen waren gekomen. Ze stonden aan het IJ.

„We genieten echt van het water.”

Heel even wilde ik dat ook. Een baard laten staan, met vriendin en dochter in een pipowagen naar een andere stad rijden, genieten van de elementen – Water zien! Zelf vuur maken! – en dan bij slecht weer geen wolken maar een strookje blauwe lucht zien.

Dat het niet lukte, vond ik typisch Paulien van mezelf.