Rutte rommelt met de wet

De vorig jaar van kracht geworden Wet raadgevend referendum biedt de regering twee mogelijkheden wanneer een meerderheid van de kiesgerechtigden zich tegen een wetsvoorstel heeft uitgesproken. In dat geval wordt „zo spoedig mogelijk een voorstel van wet ingediend dat uitsluitend strekt tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding van de wet”.

De uitslag van het Oekraïne-referendum van vorige week woensdag was duidelijk. Met een opkomst van 32,28 procent werd de wettelijke drempel nipt gehaald; 61 procent van de kiezers gaf te kennen tegen het associatieverdrag met Oekraïne te zijn. Jammer, maar een voor het overige te respecteren uitkomst. Dat vond ook premier Rutte die nog dezelfde avond zei dat deze uitslag voor het kabinet betekende dat ratificatie van het verdrag „nu niet zonder meer doorgang kan vinden”. Het was uit democratisch oogpunt een verstandige reactie.

Des te vreemder is dat het kabinet voorlopig afziet van het zetten van de logische in de wet aangegeven vervolgstap: intrekken van de wet die tot het associatieverdrag leidt. In het debat met de Tweede Kamer over de gevolgen van de referendumuitslag, afgelopen woensdag, zei premier Rutte dat het daar uiteindelijk wel van zal komen, maar niet nu al.

Als de wet direct wordt ingetrokken heeft het kabinet volgens hem een minder sterke positie om met de Europese partners over de consequenties van het Nederlandse nee te spreken. Dan is Nederland zoals hij zei, zijn „entreeticket” kwijt. Het is een hoogst wonderlijke redenering. Natuurlijk heeft het kabinet het volste recht te proberen om ‘te-redden-wat-er-nog-te-redden’ valt; sterker nog dit mag zelfs van het kabinet worden verwacht. Maar die gesprekken moeten wel worden gevoerd met het gegeven dat Nederland het Verdrag niet heeft getekend. Een beetje intrekken, waar Ruttes houding op neerkomt kan niet. Daar is de wet helder over. Wetten zijn er niet om politiek mee te rommelen.

Er zal een uitweg moeten worden gevonden voor de bijzondere situatie waarbij een kleine lidstaat een verdrag dat door alle andere 27 EU-lidstaten is ondertekend, blokkeert. De geschiedenis heeft laten zien dat in het Europese labyrint altijd wel weer een oplossing uit de hoge hoed wordt getoverd. Het gewenste draagvlak voor zo’n oplossing is niet gebaat bij de schimmige en halfslachtige uitgangspositie die het kabinet nu voor zichzelf creëert.

Deze aanpak maakt nodeloos kwetsbaar. De huidige tijd wordt al gekenmerkt door structurele argwaan tegen het openbaar bestuur. Dit wantrouwen hoeft niet nog verder gevoed te worden.