Misschien was die toets zo slecht niet

Nieuwsanalyse Tweede Kamer In 2013 wilde de politiek het belang van de Citotoets zo veel mogelijk terugdringen. Daar komt ze nu al op terug.

Foto's: ANP

Klamme handjes en wild kloppende hartjes – leerlingen in groep acht van de basisschool waren rond de afname van de Citotoets in februari óp van de zenuwen. Omdat veel scholen in het voortgezet onderwijs – en met name de gymnasia – een minimum-Citoscore eisten, was de toets uitgegroeid tot een soort eindexamen. Met alle stressklachten van dien.

Zo was de situatie – of zo werd ze in ieder geval door een forse groep mensen ervaren – toen de Tweede Kamer in 2013 besloot de eindtoets een stuk minder belangrijk te maken. De toets moest later in het schooljaar worden afgenomen. En niet de Citoscore moest het vervolg van de schoolloopbaan bepalen, maar het advies van de leraar. De juf of meester zag immers „de hele film” van het kind, terwijl de toets niet meer was dan „een foto”. Het schooladvies werd „leidend”; de resultaten van de Citotoets konden hoogstens aanleiding zijn voor een verzoek tot herziening van dat advies.

Het woensdag verschenen jaarverslag van de Onderwijsinspectie heeft een nadelige bijwerking van dit besluit aan het licht gebracht. De inspectie constateert dat bij gelijke geschiktheid kinderen van hoogopgeleide ouders een hoger schooladvies krijgen dan kinderen van laagopgeleide ouders. Dat was al zo voordat het belang van de Citotoets werd teruggebracht, maar dit effect lijkt sterker te zijn geworden. En succesvol beroep aantekenen tegen een te laag schooladvies, doen in de praktijk vooral hoogopgeleide ouders.

Effect niet voorzien

De politiek reageerde geschrokken. Minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) en staatssecretaris Dekker (Onderwijs, VVD) schreven aan de Kamer dat, als deze situatie voortduurt, de eindtoets wellicht weer belangrijker moet worden. De onderwijswoordvoerders van de regeringspartijen laten soortgelijke geluiden horen. „We moeten het schooladvies verplicht laten bijstellen als de Citotoets hoger uitvalt”, zegt Loes Ypma (PvdA). Karin Strauss (VVD) vindt dat een basisschool wel „met heel goede argumenten moet komen” als een hogere Citoscore niet leidt tot een hoger schooladvies.

Wie het verslag terugleest van het Kamerdebat dat in 2013 over deze wetswijziging werd gehouden, leert dat geen van de sprekers – Kamerleden noch staatssecretaris – dit effect had voorzien. Sterker nog: de meeste Kamerleden spanden zich tot het uiterste in om het belang van de Citotoets zoveel mogelijk terug te dringen.

Een hoger advies afdwingen

De vrees bestond dat er na een laag schooladvies voor sommige kinderen een race richting de eindtoets zou komen. In de periode tussen advies en toets zouden ouders alles op alles zetten om hun kroost klaar te stomen voor een ‘herexamen’, zodat met de Citoscore in de hand een hoger advies kon worden afgedwongen.

Om dit te voorkomen werd het afnamemoment zo ver mogelijk naar achter verplaatst én werd expliciet vastgelegd dat met een hogere Citoscore niet automatisch het advies van de leraar terzijde kon worden geschoven. Precies het tegenovergestelde dus van wat de PvdA nu voorstelt. Deze partij benadrukte in 2013 nog wel het belang van de eindtoets als second opinion om onderadvisering te voorkomen, maar het lijkt dat nu dat die second opinion vooral kinderen met hoogopgeleide ouders ten goede komt.

Een opvallend tegengeluid tijdens het debat drie jaar geleden kwam van PVV-Kamerlid Harm Beertema. Hij was voorstander van een bindende eindtoets en vermoedde dat bij het ontbreken ervan leraren te hoog zouden adviseren. Beertema refereerde aan onderzoek naar het Amsterdamse onderwijs van de vorige maand http://www.nrc.nl/nieuws/2016/04/01/socioloog-zonder-angst-voor-onwelgevallige-feiten-1607241. Die concludeerde dat docenten in Amsterdam in de jaren negentig vaak (te) hoge adviezen gaven aan kinderen van hoogopgeleide ouders – en opvallend genoeg ook aan allochtone kinderen.

„Het goede gesprek” met de school blijkt voor sommige laagopgeleide ouders niet zo makkelijk te voeren

Dronkers waarschuwde vorig jaar samen met andere deskundigen voor nadelige bijeffecten van het naar achter schuiven van het afnamemoment van de eindtoets. Ze schreven:

„Het is mogelijk dat de ongelijkheid in niveau-advisering tussen leerlingen met verschillende achtergronden toeneemt, juist omdat geen objectieve maatstaf meer voorhanden is.”

Het rapport van de Onderwijsinspectie lijkt die vrees te bevestigen. De assertiviteit van hoogopgeleide ouders doet zich gelden. „Het goede gesprek” met de school, waar de Tweede Kamer in 2013 veel van verwachtte, blijkt voor sommige laagopgeleide ouders niet zo makkelijk te voeren. Niet voor de eerste keer lijken politici zich te hebben vergist in de zelfredzaamheid van burgers met een wat lager opleidingsniveau.

Voor de politiek is het te hopen dat leraren er de komende jaren in slagen hun relatief negatieve perceptie van kinderen met laagopgeleide ouders te corrigeren. Anders wordt het bijna onvermijdelijk de Citotoets zijn oude, belangrijke plek weer terug te geven – hetzij als herkansing met bindende uitslag in april, hetzij op de oude plek in februari. In beide gevallen is de toets als eindexamen dan terug van heel kort weggeweest. En datzelfde zou gelden voor het gestress van de leerlingen van groep acht.