‘Ik probeerde alleen maar weg te komen’

Jarenlang kregen Liverpool-fans de schuld van de stadionramp in 1989 in Sheffield, waarbij 96 toeschouwers omkwamen. Ten onrechte, blijkt uit nieuw gerechtelijk onderzoek. „We waren een makkelijk doelwit.”

Twee paar handen trokken Paul Edwards omhoog. Onder zijn klimmende, naar vrijheid trappende voeten raakte een mensenmassa in verdrukking. Klem tussen de onbuigzame hekken van het Hillsborough-stadion in Sheffield. Het was 15 april 1989. De ergste stadionramp in de Europese geschiedenis.

De nu 51-jarige Paul overleefde. 96 anderen niet. „Ik kan er nu openlijk over praten”, zegt hij. Pas aan het einde van het gesprek zegt hij: „Mijn vrouw zegt dat het wel degelijk iets met me doet. Naderhand heb ik nachtmerries.” Van verontschuldigingen wil hij niets weten. „Het is belangrijker het verhaal te vertellen.”

Want Hillsborough is niet alleen die ene middag, toen men zes minuten na aanvang van de wedstrijd in de halve finale van de FA Cup tussen Liverpool en Nottingham Forest doorkreeg dat er op de staantribunes iets vreselijk mis was. Hillsborough staat gelijk aan een cover-up, aan een politiedwaling waar binnenkort een einde aan komt. Een nieuw gerechtelijk onderzoek, dat twee jaar geleden begon, kan ieder moment worden afgerond. Mogelijk wordt er dan een verantwoordelijke aangewezen.

Tot vier jaar geleden kregen de Liverpool-supporters de schuld. Ze zouden hooligans zijn geweest. De ramp zou te wijten zijn aan hun dronkenschap, het feit dat ze geen kaartjes hadden maar wel het stadion binnendrongen. Ze zouden bewust te laat binnen zijn gekomen om het duel te verstoren. Niemand werd wegens nalatigheid vervolgd. Het enige dat gebeurde, was dat uit veel Europese stadions de staantribunes en hekken verdwenen.

De politie knoeide bewust

Pas toen na jaren strijd van de Hillsborough Family Support Group alle officiële documenten werden vrijgegeven, bleek waar wat de slachtoffers altijd al vermoedden: de politie knoeide bewust met verklaringen, om de fans de schuld te geven. De woede over de cover-up kwam later, net als de nachtmerries.

Die middag stapten Paul, toen 24, zijn broer en twee vrienden gewoon in de auto terug richting Zuid-Engeland, waar ze toen woonden. Eerst reden ze nog wat rond in Sheffield, op zoek naar een telefoon om het thuisfront gerust te stellen – het was de tijd vóór de mobieltjes en overal stonden fans in de rij bij telefooncellen. „De vrouw van Del was verpleegster, en ze maakte zich vreselijk zorgen, vroeg of we in shock waren. Wij begrepen niet zo goed waarom.”

Voetbalwedstrijden waren nu eenmaal ruw, niet leuk en aangenaam. „Je hoorde niet ontdaan te zijn, of gevoelig.” Zoals deze krant twee jaar na het drama optekende uit de mond van een sociaal werker: „Stoere jongens uit Liverpool huilen niet.”

Dus ging Paul op maandag gewoon weer aan het werk als uitzendkracht. En de weekeinden daarna gewoon weer naar de wedstrijden, naar de staantribunes: „Je voelde je thuis tussen de mensen die hetzelfde hadden meegemaakt. Voetbal is een passie, je bent niet alleen fan als het goed gaat. Je bent altijd fan.”

De nachtmerries, slapeloosheid, en oncontroleerbare huilbuien kwamen maanden later, nadat op de Theems een plezierboot zonk en hij de beelden zag. Hij raakte zijn baan kwijt, verhuisde terug naar het ouderlijk huis in Liverpool, en zocht hulp bij therapeuten en lotgenoten.

Liverpool FC hoorde bij de familie Edwards: „Het werd er ingebakken.” De eerste keer dat Paul naar een wedstrijd ging, was hij zeven. Geduw en getrek hoorde er ook bij, zeker op de staantribunes, helemaal als het spannend werd en iedereen een zo goed mogelijk zicht op het veld wilde.

Maar Hillsborough voelde onveiliger dan het eigen Anfield-stadion, vertelt Paul. Toen hij vijftien was, raakte hij al eens in de verdrukking tijdens een halve finale in Sheffield. Dus kocht hij liever een zitplaats als er daar werd gespeeld. „Maar omdat we in het zuiden woonden, en niet bij elke wedstrijd konden zijn, waren we onze plek in de rangorde kwijt. Op het laatste moment wist mijn vader voor ons kaartjes in vak vier te regelen.”

De keuze tussen niet gaan of staan was makkelijk gemaakt. Vader, oom, en neefjes zaten aan de andere kant van het stadion. En zagen hoe minuten na aanvang van de wedstrijd het vak veranderde in een dodelijke val toen duizenden supporters via één tunnel in de al volle vakken drie en vier terechtkwamen, die van de rest waren gescheiden met hekken.

„Vanaf het eerste moment voelde het fout. Weet je hoe normaal in de drukte lichamen zacht voelen? Je voelt zacht vlees. Alles voelde nu als een betonnen muur, er zat geen beweging in. Ik wist meteen dat het fout was. En ik wist van de chaos buiten, dat achter me nog een mensenmassa aankwam. Mijn broer en vrienden raakte ik binnen vijf seconden kwijt.”

„Bewust ging ik naar achteren, niet naar waar ik het veld kon zien. Toen de wedstrijd begon, was er een almachtige beweging voorwaarts. Het kostte kracht om weer naar achteren te komen. Ik probeerde alleen maar weg te komen.” Hij klom, krabbelde omhoog, naar de tribune boven de zijne. „Beneden werd het almaar erger. Een hek ging open. Ik dacht ‘het komt goed’. Maar toen de fans het veld opkwamen, werd dat hek weer dichtgedaan.”

Na zes minuten werd de wedstrijd stilgelegd. Maar de politie, zo bleek vier jaar geleden, probeerde nog altijd te voorkomen dat de fans het veld opstroomden, en hield 43 van de 44 ambulances tegen. 41 van de 96 slachtoffers hadden gered kunnen worden als ze tijdig waren gereanimeerd. Het jongste slachtoffer was tien jaar oud.

De ernst drong niet tot Paul door, zelfs niet toen op het veld lichamen met jassen werden bedekt. „Ik was er bij in Heizel [het Brusselse stadion waar vier jaar eerder bij rellen tussen Liverpool- en Juventus-supporters 39 doden vielen, red.], daar was ook de eerste indicatie dat iets mis was het feit dat lichamen met jassen werden bedekt. Maar ik zei tegen de man naast me: ‘nee, ze zullen wel gewond zijn’. Een deel van je probeert te normaliseren wat er gebeurt.”

Hij dacht: het zal wel makkelijk zijn een schuldige aan te wijzen. Bewakingscamera’s hadden immers alles opgenomen, er waren duizenden ooggetuigen. Tot zijn verbazing kregen de fans zelf de schuld. Ze waren een „makkelijk doelwit” door het Heizeldrama. „Het was makkelijk ons de schuld te geven, te zeggen dat we de bevelen van de politie niet opvolgden.” Bij het eerste onderzoek naar de ramp werd naar die conclusie toe gewerkt, zegt hij. „Ze wilden weten hoeveel ik gedronken had. Dat we juist veel vroeger dan normaal weggingen uit de pub omdat dit zo’n belangrijke wedstrijd was, paste niet.” Dat hij vertelde over de paniek in vak vier ook niet. De politie hield vol dat alles normaal was verlopen.

Voor gek verklaard

Hij is leraar geschiedenis op een middelbare school in St Helen’s, een half uur ten noorden van Liverpool. Zijn leerlingen leert hij over social cryptomnesia, het ‘geheugenverlies’ van een gemeenschap. Omdat alle instanties maar volhielden dat de supporters zelf de schuldigen waren, nam iedereen dat over. Diegenen die het tegendeel beweerden, werden voor gek verklaard. Nog in 2011 vergeleek de Britse premier Cameron de nabestaanden met „een blinde in een donkere kamer, die zoekt naar een zwarte kat die er niet is”.

„Ik had zoals veel Liverpool-fans de hoop opgegeven dat de waarheid zou uitkomen. Ik dacht: op zijn doodsbed zal een hoge politiefunctionaris misschien vertellen wat er echt gebeurde die middag.” Toen de archieven na publiekelijke druk werden geopend, „zakte de zaak snel in”. Nu hoopt hij vooral op excuses van toenmalig hoofdcommissaris Duckenfield.

Niet dat hij zich dan minder schuldig zal voelen over het feit dat hij leeft, en anderen niet. „Hoe succesvol je ook bent, dat blijft in je achterhoofd altijd hangen.” En niet dat het leven ooit nog normaal zal zijn. Paul vertelt dat hij altijd gevaar ziet: „Als op school het brandalarm afgaat, en iedereen heel nonchalant naar buiten loopt omdat het meestal een oefening is, jaag ik mensen op.”