Ik, kind van onmondige ouders, verdiende een kans

Het hoger onderwijs mag niet van de elite worden, schrijft Alex Mazereeuw. „Als kind van laagopgeleide ouders weet ik wat het is om op te boksen tegen vooroordelen.”

Alex Mazereeuw op Roeterseilandcampus van de Universiteit van Amsterdam.

Het opleidingsniveau van ouders bepaalt steeds vaker de kansen en het eindniveau van kinderen in het onderwijs. Dat concludeerde de Inspectie van het Onderwijs in het gisteren gepubliceerde jaarverslag. Daarnaast werd bekend dat het zogenaamde ‘opklimmen’ binnen het onderwijs steeds moeilijker of zelfs onmogelijk wordt, omdat scholen zich steeds vaker toespitsen op één opleidingsniveau. Een zorgwekkende trend die door minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) serieus moet worden genomen om te voorkomen dat wij richting een onderwijssysteem gaan waarin alleen kinderen van hoogopgeleide ouders kansen krijgen om te floreren.

Ik weet zelf wat het is om op te boksen tegen vooroordelen die heersen over het opleidingsniveau van ouders. Ik kom zelf uit een familie met vrijwel alleen laagopgeleiden en was vorig jaar de eerste in mijn directe familiekring die ging studeren aan de universiteit. Jarenlang werd mij op de middelbare school voorgehouden dat ‘de stap naar een hoger opleidingsniveau te groot zou zijn’ of ‘dat een vmbo-leerling het nooit tot de universiteit zou kunnen schoppen’. Op wilskracht, door eigenwijsheid en via verschillende routes heb ik uiteindelijk mijn doel alsnog weten te bereiken.

In de brugklas maakte ik persoonlijk een moeilijk jaar door, waardoor ik een twijfelgeval werd tussen vmbo en havo. Ondanks verwoede pogingen van mijzelf en van mijn ouders werd ik naar het vmbo gestuurd. Daar waar twijfelgevallen met mondige ouders het voordeel van de twijfel kregen, stonden mijn ouders na een gesprek van twee minuten buiten zonder enig resultaat.

Ik was er in eerste instantie kapot van, voelde me benadeeld en tekortgedaan. Maar ik putte er op een bepaalde manier energie uit. Ik besloot op een dag dat ik mezelf omhoog moest knokken, om zo het ongelijk van al die mensen die geen vertrouwen in mij hadden getoond, het nakijken te geven.

Toen ik na het behalen van mijn vmbo-diploma besloot over te stappen naar de havo, werd mij opnieuw verteld dat de overstap veel te zwaar zou zijn, en dat het waarschijnlijk verspilde moeite zou blijken. Daar waar anderen afhaakten, haalde ik moeiteloos mijn diploma. Omdat ik niet door mocht stromen naar het vwo, besloot ik een hbo-opleiding te gaan volgen. Binnen een jaar haalde ik mijn propedeusediploma. Het ambitieuze jongetje in mij was nog niet tevreden, waarop ik besloot mij aan te melden voor de bachelor Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Nadat ik een toelatingsexamen had gedaan kreeg ik een mail waarin ik het advies kreeg dat ik nog maar eens moest nadenken of ik het niveau wel aan zou kunnen, hbo-studenten blijken immers zeer veel moeite te hebben met de overstap. Ik besloot opnieuw om mijn eigen weg te kiezen en toch te starten met de bachelor. Nu, bijna een jaar verder, heb ik tot op heden relatief makkelijk al mijn vakken gehaald en denk ik zelfs na over een mogelijke aanmelding voor een volgende bachelor.

Vandaar dat ik mij behoorlijk boos maakte over het nieuws dat het opleidingsniveau van ouders steeds vaker een rol speelt in het eindniveau van het kind in het onderwijs (NRC Handelsblad, 13 april). Zelf haalde ik veel motivatie uit het feit dat ik per se het ongelijk van de docenten wilde bewijzen, maar ik snap dat veel kinderen zich ook kunnen laten afschrikken door het advies van hun docenten. Daarom is het een gevaarlijke ontwikkeling dat het opleidingsniveau van ouders steeds vaker een rol speelt en dat brede scholen aan het verdwijnen zijn. Het mag niet zo zijn dat hoger onderwijs straks weer iets wordt voor de elite.