Iedereen wil Sleutelaar worden

Hans Sleutelaar (80) is terug in Rotterdam, de stad die hem als dichter en mens heeft gevormd. Bij het grote publiek was hij niet zo bekend, maar in de kringen van de Zestigers, Armando, Vinkenoog en Vaandrager was hij invloedrijk.

Hans Sleutelaar in 1975 Foto Pieter Vandermeer

1 Hans Sleutelaar: „Mijn vrouw werd terminaal ziek waardoor we geen andere keuze hadden dan naar Nederland terug te keren. We zaten daar op een eiland 500 kilometer van Bangkok, je was een dag kwijt om naar de dokter te gaan. De verzekering zou alles betalen als we naar Nederland kwamen, als we daar bleven niets.

„Terug naar Nederland betekende voor ons terug naar Rotterdam. Amsterdam, hoewel ik daar lang heb gewoond, trok me echt niet; ik voel er helemaal geen band meer mee. Rotterdam is mijn vaderstad. Ik heb hier familie en vrienden met wie ik altijd contact heb gehouden. Ik ben geweldig geholpen bij het zoeken naar een huis. Ik had niet de middelen meer om iets te kopen. Door Carel van Hees, de Rotterdamse fotograaf die nu exposeert in het Rijksmuseum, ben ik aan mijn flatje gekomen.

„Ik heb nog gezien dat het flatgebouw werd neergezet. Ik kijk nu min of meer op de eenvoudige burgermanswoning waar ik met mijn ouders woonde en waar ik tot in de jaren zestig met schrijvers en dichters vergaderde.

„Vroeger, toen ik al in Amsterdam woonde, had ik als ik naar Rotterdam ging altijd het gevoel dat er iets noodlottigs in de lucht hing. Die sfeer verwachtte ik terug, maar ik proefde optimisme, een jeugdige levendigheid.

Ik zie veel jonge dichters en schrijvers. Sanneke van Hassel, Daniël Dee, Mark Boninsegna. Die zei laatst dat jonge dichters in Rotterdam te weinig kritiek ondervinden, ze zouden kritischer tegenover elkaar moeten staan. Dat vind ik een verstandige opmerking.

Ik ben een Rotterdammer, ja. Rotterdam heeft mij gevormd, als mens, als dichter. We waren jong, we wilden iets maken, een plek vinden. Onze opponenten waren de Vijftigers, die zaten allemaal in Amsterdam. Wij zaten hier waar niets was.

„Rotterdam is een no-nonsense-stad. Dat echoot na in de gedichten die we schreven. Heldere taal, dwingend ritme. Wij hadden een andere verstandhouding met het woord dan de Vijftigers, wij wilden het alledaagse in ere herstellen. Het zakelijke van Rotterdam, het dynamische, het zeggen-waar-het-op-staat — dat zijn wel dingen die je op mijn gedichten kunt plakken.”

2 Erik Brus, samensteller van het boek Sleutelaar worden, herkent dat Rotterdamse in het werk van Sleutelaar, de Zestigers, de Nieuwe Stijl, Gard Sivik. Hij zegt: „Veel Rotterdamse literatuur en cultuur kenmerkt zich doordat het onopgesmukt en minimalistisch is. Schrijvers en kunstenaars ontlenen hun materiaal aan de werkelijkheid, het leven van de gewone mensen, de ‘straat’. Sleutelaar en Vaandrager deden dat al vanaf de jaren vijftig met hun manier van literatuur bedrijven. Geen literatuur die boven het leven stond, maar er middenin — wat toen voor de literatuur zeer vernieuwend was. Na de puinhopen van de oorlog, was de houding: vooruit kijken, vernieuwing, zakelijkheid ook.”

Hans Sleutelaar werd vijf jaar vóór de oorlog geboren. „Stuur maar geen kaarten”, zei zijn grootmoeder, „hij redt het toch niet.” Hij lag in het ziekenhuis aan de Henegouwerlaan, couveusekindje. Crisis, 1935, maar zijn moeder kreeg extra rantsoenen. „Voor het zog.” Andere moeders bezagen dat met jaloezie. Dat heeft Hans Sleutelaar later nog vaak moeten horen, want hij redde het wel. Hij is nu tachtig.

Zijn moeder was een Duitse, dat gaf scheve gezichten. Later ook, na de oorlog. „Door de buren werd ze met de nek aangekeken”, zegt Sleutelaar als ik hem ontmoet in een etablissement in de Lloydstraat. „Met sommige woorden kon je het aan haar horen. Ze zei Rivièriahal, ze kon niet Rivièrahal zeggen. Of peren…, dat werden beren.”

De Duitse afkomst van zijn moeder strekte hem in de oorlog tot voordeel. De laatste anderhalf jaar, als knaap van acht, negen, bracht hij met zijn moeder door bij familie in Duitsland. „Op het platteland bij Bremen, in een plaatsje dat Westerwanna heette. Die mensen waren paardenhandelaar. Ik heb daar van de oorlog weinig gemerkt, het waren vooral de steden die werden gebombardeerd. Pas later heb ik de ruïnes gezien als ik met mijn moeder in de vakantie in Duitsland was. Hamburg, Bremen — verschrikkelijk.”

De jonge Hans Sleutelaar was „een beetje nerveus of zoiets”. Maar zijn hoofdonderwijzer zag wel iets in hem. „Zijlstra heette die man, ik zie hem nog voor me. Door hem kon ik naar het Erasmiaans. Maar er was geen geld om me te laten studeren, dus na familieberaad is toen besloten om me naar de HBS aan de Bergselaan te sturen. Dat was praktischer, je kon beter een baan vinden.”

Hij kon schrijven. „Ik had dan wel een 2 voor scheikunde, maar een 9 voor Nederlands. De man die Nederlands gaf, schreef balladen. Hij vond het leuk dat ik ook gedichten schreef. Mijn eigen toon vond ik pas toen ik Vaandrager al kende; hij had eerder een eigen geluid te pakken dan ik.”

Vaandrager en hij kwamen als juniorcopywriters terecht bij Lintas, het reclamebureau van Unilever. „Dat was een leerzame periode. Je leerde effectief schrijven. Het was de glorietijd van de reclame”, zegt hij.

Erik Brus: „Schrijvers als Sleutelaar zijn niet langer artistiekerige en wereldvreemde zieners. Ze zijn journalist en copywriter, ze staan midden in het leven. Spreektaal, ready-mades, flarden uit reclames, krantenberichten, het komt allemaal terug in de literatuur van Sleutelaar en de zijnen. Rotterdam, als nuchtere en zakelijke stad, was en is daar een goede voedingsbodem voor. Je ziet dit ook later in de punk — nog rauwer in Rotterdam dan elders —, hiphop, gabber, rap. Het is de romantiek van het beton, de straat, het rauwe leven van alledag. Het is de kunst om juist daarvan de schoonheid te zien. Sleutelaar heeft mede die toon gezet.”

3 Waar hij als kind van droomde: „Dromen — daar zijn het natuurlijk dromen voor — vergeet je. Misschien iets in de muziek. Het had niet veel gescheeld of ik was beroeps geworden. Ik ben blij dat dat niet is gebeurd. Het is leuk om muziek te maken — ik speelde saxofoon op schoolfeestjes — maar die lange nachten, die rokerige sfeer altijd, nee.”

Zijn vader was musicus, klassiek opgeleid in Duitsland. „Hij speelde fluit. Hij kreeg les van een man die een fluitconcert aan hem had opgedragen. Maar hij kon in de klassieke muziek geen werk vinden. Toen de jazz opkwam, legde hij zich daarop toe; tot 1933 speelde hij in allerlei orkesten. ‘We gaan naar Holland, het gaat helemaal fout hier’, zei hij toen. Dat had hij goed in de smiezen.”

Hij is tot zijn geluk niet in de professionele voetsporen getreden van zijn vader, maar het was wel door de muziek dat hij Cornelis Bastiaan Vaandrager ontmoette. Want die scheurde de kaartjes in Emporium, een zaal waar op zondag jazz ten gehore werd gebracht en waar Sleutelaar als saxofonist optrad met zijn combo. „Al gauw bleek dat we dezelfde dingen interessant vonden. Ja, iedere ouwe vent vindt natuurlijk zijn jeugd het leukst, maar ik ben geneigd om dat te beamen. Er was veel lol, het was minder hard.”

Dan gaat zijn telefoon die in dit geval dubbelt als wekker. Sleutelaar: „Hij gaat om de paar uur. Dan weet ik dat ik een pil moet nemen. Dat vergat ik vroeger wel eens. Ik moet af en toe ook even opstaan, een rondje lopen.” Hij voegt de daad bij het woord. Als hij weer zit, zegt hij: „Als ik een levensprogramma had, was het wel: een respectabele leeftijd bereiken. Ik leef graag, het mag van mij nog wel even duren. Ik heb er nooit van gedroomd om tachtig te worden. Je bent het voordat je het weet.”

De titel van het boek Sleutelaar worden werd gemunt door Martin Bril. Ik stond perplex toen Martin Bril vertelde hoe hij met een spuitbus door de stad ging om ‘Sleutelaar worden’ op de muren te spuiten. Het is toch gek als iemand zegt niets liever te willen dan Sleutelaar worden. Of dat moeilijk is? Ik ben er zelf ook nog niet uit.”