Het stadsslot met Disney-gevoel

Berlijn Het Berliner Stadtschloss, ooit de residentie van de koning van Pruisen en de keizer van het Duitse Rijk, wordt herbouwd.

De stenen adelaars voor tussen de vensters liggen gereed, hun vleugels gespreid. Langzaam, baksteen voor baksteen, verrijzen in het centrum van Berlijn de muren van een barok slot. Als alles klaar is, over een jaar of drie, heeft de Duitse hoofdstad een nieuw, maar tegelijkertijd drie eeuwen oud gebouw. Wie vanaf de Brandenburger Tor over de beroemde laan Unter den Linden naar de Dom en het museumeiland loopt, ziet dan, voor het eerst sinds ruim een halve eeuw, weer het stadsslot zoals dat in 1698 was bedacht door de architect Andreas Schlüter.

‘Dat gebouw wordt een leugen’, zeggen tegenstanders. Het gaat hier immers niet om restauratie. Van het slot was vrijwel niets meer over. In 1950 bliezen de communistische machthebbers in dit deel van Berlijn het gebouw, symbool van keizerlijke macht, op. Het terrein werd platgebulldozerd en er kwam een tribune voor parades en grote bijeenkomsten. Dertig jaar later besloot Erich Honecker hier een modernistisch ‘Paleis van de Republiek’ neer te zetten, dat de kracht van de Duitse Democratische Republiek moest weerspiegelen:

Foto Wikimedia/ Lutz Schramm

Palast der Republik in Berlijn. Foto Wikimedia/ Lutz Schramm

Als met een tijdmachine wordt nu in Berlijn het verleden opnieuw opgebouwd. Zoals eerder 35 kilometer verderop is gebeurd in Potsdam, in een al even veelbesproken project. Daar kijk je sinds 2014 tegen de vroegbarokke façade aan van het zwaar gebombardeerde en later opblazen stadsslot. Ook hier was er te weinig over om te restaureren en werd besloten een oud gebouw opnieuw te bouwen. ‘Ceci n’est pas un château’, staat er in cursieve letters op de gevel. Het is geen barokslot, want in de moderne ruimtes binnen vergadert het parlement van de deelstaat Brandenburg. Maar het ziet er wel zo uit.

Oud van buiten, modern van binnen

In Berlijn is voor een vergelijkbare combinatie gekozen van nieuw-oud aan de buitenkant en modern van binnen, volgens een ontwerp van de Italiaanse architect Franco Stella. Na veel debat over de vraag of er nu wel of niet een nieuw slot moest komen is in 2002 besloten het Paleis van de Republiek, waar veel asbest in verwerkt was, af te breken. Op die plaats staat nu het inmiddels voltooide betonnen geraamte van het slot, tussen gele hijskranen. Ook het raamwerk voor de koepel is al klaar. Tegen het witte beton wordt een 65 centimeter dikke muur van rode baksteen gemetseld, die later zal worden afgemaakt met een beige pleisterlaag.

Een van de toezichthouders op dit gecompliceerde bouwproject is Herman Duquesnoy. Hij heeft een duidelijk antwoord op de kritiek dat het slot er van buiten gaat uitzien als een fantasieloze kopie – al zal de vierde façade, die langs de Spree, een moderne lijn hebben. „Je moet niet perse altijd iets nieuws willen doen. Dit gebouw past in een stadsbeeld. Hier was het hart van Berlijn. Er bestond een duidelijke samenhang met de musea en andere gebouwen die later in de directe omgeving van het slot zijn gebouwd. De architecten daarvan hielden rekening met de zichtlijnen naar het slot.’’ Wie hier een gebouw neerzet met helemaal nieuwe vormen, vindt hij, doorbreekt de architectonische eenheid in dit stukje Berlijn.

Op basis van oude foto’s, tekeningen en documenten worden drie façades minutieus gekopieerd. Compleet met de afwijkingen. Zo maakt het gebouw op één plaats geen hoek van 90 graden, maar van 89,7 graden. Aan het einde van de gevel, 180 meter verder, scheelt dat twee meter. Alleen de ramen zijn niet achttiende, maar negentiende-eeuws. „In de achttiende eeuw kon men nog niet met grote stukken glas werken. Daardoor hadden de ramen veel spijlen. Een eeuw later kon men dat wel. Daarom is voor dat beeld gekozen.”

Een extra uitdaging bij deze reconstructie vormden de ongeveer drieduizend zandstenen ornamenten. De 47 adelaars tussen de vensters, tientallen guirlandes, en ook drie grote sierstukken van acht meter hoog, met trompetterende engelen, bloemkelken, wapens en vogels. Het zijn bepalende stukken voor het barokkarakter van het gebouw. Goede zandsteen is nog wel te vinden. Maar wie kon dergelijke beeldhouwwerken nog maken?

„Gelukkig waren er in de DDR nog ateliers waar tien, vijftien beeldhouwers op de strenge Pruisische manier een gedegen opleiding hadden gekregen”, vertelt Herman Duquesnoy. „Daar was geen economische dwang om voor iets anders te kiezen, zoals in het westen. Van dat soort vakmensen hebben we nu gebruik kunnen maken. Het mooie is dat door dit project ook die oude kennis weer nieuw leven wordt ingeblazen.”

Beeldhouwwerk met de hand

Jarenlang heeft een groep beeldhouwers in een atelier in Spandau aan die nieuwe oude ornamenten gewerkt. Eerst is een model van klei gemaakt, dan een van gips. Een commissie controleerde of het goed ging. Daarna zijn die in steen gekopieerd. Een robot heeft de zandsteen in een grove vorm geslepen. Handwerk moest het afmaken. Vrijwel alle ornamenten zijn inmiddels klaar, want ze moeten worden aangebracht op het moment dat de metselaars de hoogte ervoor bereiken.

„Al dat beeldhouwwerk is bewust met de hand gedaan”, zegt Duquesnoy. „Daardoor ontstaan er hele kleine verschillen. Die geven leven aan het gebouw. Het menselijk oog is daar onbewust gevoelig voor. We merken het als die verschillen er niet zijn. Dan gaat het er al snel kunstmatig uitzien.”

Maar een ‘achttiende-eeuwse’ façade die er als nieuw uitziet, dat zal wennen zijn. Zoals dat ook in Dresden was. Er zijn mensen die als ze op de Neumarkt daar staan, met zijn ook vrijwel uit het niets gereconstrueerde Frauenkirche en gebouwen eromheen, een Disney-gevoel krijgen. Duquesnoy: „Als de opdrachtgever het wil, kunnen we ook ouderwets, onregelmatig pleisteren. Maar het belangrijkste is dat de meeste mensen door de patina na een jaar of tien, twintig niet meer kunnen herkennen wanneer een gebouw gebouwd is, als het oude vormen heeft.”

Het is nooit de bedoeling geweest dat het nieuwe oude gebouw alleen maar terugkijkt. De bouw is wel het belangrijkste culturele project in Duitsland van het begin van de 21ste eeuw genoemd. Dat moet ook uit de inrichting en de naam blijken. In het gebouw komt het Humboldt-Forum, een centrum voor de dialoog der culturen, met op de eerste verdieping het Berlijnse project Wereld.Stad. Berlijn, dat wordt ingevuld door de voormalige directeur van het Amsterdam Museum, Paul Spies. Naamgevers voor het Humboldt forum zijn de negentiende-eeuwse broer Wilhelm en Alexander, respectievelijk taalwetenschapper/staatsman en natuurvorser/ontdekkingsreiziger Alexander. Een beroemde uitspraak van Alexander, de jongere broer, is het motto voor het gehele project: „Het gevaarlijkste van alle wereldbeelden is dat van mensen die zich nooit een beeld hebben gevormd van de wereld.”