Geen school, het was een mentaliteit

Honderd jaar geleden begon de Amsterdamse School. Het Stedelijk en Museum Het Schip organiseren nu een groots overzicht van deze korte, maar belangrijke kunststijl.

John Rädecker, Maskerkop, 1924 Foto’s Erik & Petra Hesmerg

Wat een overdaad aan exotische vormen en materialen, wat een ongebreidelde experimenteerlust! De tentoonstelling in het Stedelijk Museum, van gebruiksvoorwerpen en van interieurs ontworpen door de architecten en kunstenaars van de Amsterdamse School, is een labyrintisch parcours langs lampen, klokken, tapijten, glas-in-lood en meubels die eruitzien als sculpturen. In gloeiende kleuren paars, smaragdgroen en oranje, alles in een uitbundig expressionistische vormentaal.

Middenin de donkere periode van de Eerste Wereldoorlog en van de economische crisis die erop volgde, toonde de Amsterdamse School een enorme vitaliteit. Misschien waren juist duisternis en oorlogsdreiging – al bleef Nederland neutraal – de aanleiding tot het verlangen naar een warm en geborgen thuis.

Neem de bank die architect en meubelontwerper Piet Kramer voor zichzelf maakte, een monumentaal gevaarte van gebeitst eiken- en iepenfineer, met een metershoge rugleuning als een beschermende wand. Op een foto zien we de vrouw van Kramer, gekleed in een enkellange fluwelen huisjapon, zittend op de bank, geconcentreerd bezig met een haakwerkje. Meubels waren ‘gevoelsdingen’, volgens de kunstenaars van de Amsterdamse School, en Michel de Klerk – de geniale alleskunner die in zijn korte leven (1884-1923) werkelijk álles ontwierp, van woonblokken tot stoelen, servies en lampen – sprak van een meubel als „een geheel bijzonder wezen”.

Parabolen en spitsbogen zijn typerend voor de Amsterdamse School-ontwerpen, en diagonaal golvende en getrapte vormen en sensuele welvingen. Het was een totaalopvatting over architectuur, waarbij beeldhouwwerk als decoratie en als verhalend element geïntegreerd was in het geheel. De Amsterdamse School distantieerde zich van het werk van de architect Berlage, dat ze te rationeel en geometrisch vonden.

In de tafelklokken zijn alle stijlkenmerken terug te vinden. Ze zijn gemaakt van gepatineerd brons, gehamerd rood koper, goudkleurig messing, gebeitst eiken, smeedijzer, emaille, vrijwel alles is mogelijk. Beeldhouwer Hildo Krop plaatste een faunfiguur op een rotsblok bovenop de klok. Er is een klok die eruitziet als een brok natuursteen met mythische wezens erin verscholen. De wijzerplaten zijn steeds anders en de wijzers variëren van een simpele pijlvorm tot de meest ingewikkelde kronkelingen.

Het meest opvallend is de uivormige, dikbuikige houten klok van Michel de Klerk, rustend op een sokkeltje dat op twee donkere, geëboniseerde slofjes of schaatsjes staat. Zowel uivorm als schaatsen komen vaker in het oeuvre van De Klerk terug, in meubels evengoed als in een huiskamerbetimmering of een tuinhek. Kunsthistoricus Frans van Burkom ontleedt in een artikel in de catalogus de iconografie van deze klok. Boven op de punt van de ui plaatste De Klerk een gebeeldhouwd kopje van een Hindoe-Javaans monster, Kala, een woord dat ‘zwart’, ‘dood’ of ‘tijd’ betekent. Naast Kala bevinden zich ter weerszijden twee knopjes die eruitzien als de ogen van een slak. De klok symboliseert de Verglijdende Tijd, alsook Tijd en Dood (Kala) en de Kruipende Tijd (de slak). Van Burkom concludeert dat de klok een Januskop is met twee gezichten die vooruit en achteruit kijken.

Scheepvaarthuis

De geschiedenis van de Amsterdamse School is extreem kort. Een vroeg hoogtepunt was de oplevering van Het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade in april 1916. Deze datum was er de aanleiding toe om 2016 uit te roepen tot het Jaar van de Amsterdamse School. Het Scheepvaarthuis (nu Grand Hotel Amrâth) is gebouwd door Joan van der Mey, Piet Kramer en De Klerk, in opdracht van zes scheepvaartmaatschappijen, die hier hun kantoren vestigden. De Amsterdamse School ontleent zijn naam aan een artikel van architect Jan Gratama over het Scheepvaarthuis.

Vanaf het begin was er, naast lof, ook veel kritiek op de exuberantie van de Amsterdamse School. En al tien jaar later zou het paviljoen van architect Frits Staal en beeldhouwer John Rädecker op de Exposition Internationale des Art Décoratifs et Industriels in Parijs de zwanenzang blijken te zijn. Theo van Doesburg, voorman van De Stijl, beschreef het paviljoen als een „afgrijselijke baksteenmassa met de allure van monumentale, nationale, orkestrale tempelarchitectuur”. De Amsterdamse School ging niet mee met de utopie van het Modernisme en van de Nieuwe Mens, die vanaf eind jaren twintig in Europa grotendeels de ontwikkeling van architectuur en ontwerpen zou bepalen.

Toch zou de Amsterdamse School tussen 1910 en 1930 overal in Nederland navolging vinden, van Groningen tot Zeeland. De erfenis is in Amsterdam alom aanwezig: theater Tuschinski, bioscoop The Movies, hele woonblokken in West en, niet te vergeten, de 150 prachtige houten bruggen van Piet Kramer, met de speciaal ontworpen letter voor de naam van de brug, op de reling.

De Amsterdamse School, in feite geen school maar meer een mentaliteit, is de Nederlandse variant op de art nouveau-bewegingen zoals die overal in Europa bloeiden, ondermeer in Brussel, Nancy, Parijs en Wenen. Het is een zeer eclectische stijl, die de invloeden van expressionisme en symbolisme vertoont maar zich evengoed liet inspireren door Egyptische en Assyrische culturen en door ambachtelijke tradities uit de koloniën, vooral Nederlands-Indië.

Lagere klasse

De kern van de Amsterdamse School is het ideaal van ambachtelijkheid. Vakmanschap, goed ontworpen producten in duurzame materialen, zouden de mens gelukkig maken en het volk verheffen. Deze kunstenaars wilden betaalbare ontwerpen maken voor de lagere klasse. In de praktijk kwam daar niet veel van, het was te arbeidsintensief en het bleef ver buiten het bereik van de arbeider. Met één grote uitzondering: de arbeiderswoningen gebouwd door De Klerk.

Zo zijn er binnen de Amsterdamse School twee lijnen te vinden. De ene is de luxe variant van het Scheepvaarthuis, vol verwijzingen naar het glorieuze verleden van de VOC en met Indische invloeden in textiel en houtwerk. Er werden zelfs Javaanse houtsnijders naar Amsterdam gehaald om het werk uit te voeren. De andere lijn is die van de sociale woningbouw, mogelijk gemaakt door de Woningwet die in 1901 was aangenomen.

Hierover is alles te vinden in het mooiste museum van Amsterdam, Het Schip, gebouwd als Paleis voor de Arbeider door De Klerk. Hier, en in de woonblokken aan het ernaast gelegen Spaarndammerplantsoen, eveneens van De Klerk, gaan de gebeeldhouwde verhalen niet over het glorieuze verleden van de VOC, maar over de Zaanstreek, met talloze verwijzingen naar landbouw en visserij. En hier krijgt ambachtelijkheid haar uitdrukking in oneindig gevarieerde metselverbanden. Parabolen, spitsbogen, ladderramen, het visgraatmotief dat kenmerkend is voor De Klerk, het is allemaal hier terug te vinden. Materialen zijn er met een „ongelofelijke stoutmoedigheid” toegepast, zei Kramer, en het geheel gaf architect Staal „een bevrijdend en verheffend geluksgevoel”. En zo is het nog steeds.