Een romantische zoeker

Uit deze uitvoerig gedocumenteerde biografie blijkt Van Os behalve een popularisator van de kunstgeschiedenis ook een gedegen onderzoeker te zijn.

Zet Henk van Os in een gezelschap vakgenoten en alras vormt zich een kringetje om hem heen. Quasi-onverschillig wachten kunsthistorici, kenners en museummensen op hun kans de inmiddels 78-jarige oud-hoogleraar en ex-museumdirecteur aan te schieten. De meester schudt handen, deelt kwinkslagen en complimenten uit en bekrachtigt daarmee zijn positie van Nederlands bekendste kunsthistoricus. Hij speelt het spel met verve, en laat zich de aandacht welgevallen. Dat over juist zo iemand een biografie verschijnt lijkt weinig verbazing te hoeven wekken.

Het boek sluit aan bij de recente belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Die uit zich in de vorm van biografieën over onder anderen de Groningse hoogleraar Horst Gerson (2007), diens Leidse collega Henri van de Waal (2010) en de Nijmegenaren Jozef Timmers (2007), John Baptist Knipping (2013) en Gerard Brom (2015). De hoofdpersonen waren toen al overleden. Een uitzondering vormde museumdirecteur Bram Hammacher, maar hij was 102 toen in 2002 zijn biografie verscheen.

Dat er nu over Van Os, die onlangs springlevend zijn aanstelling aan de Universiteit van Amsterdam beëindigde, een boek uitkomt is dus bijzonder. Zeker als blijkt dat het geen relaas is in het genre van succesverhaal of schandaalkroniek van een bekende Nederlander. Van Os komt weliswaar aardig in de richting van die kwalificatie, maar daarbij zou je haast vergeten dat hij ooit begon als veel minder algemeen bekende, hardcore wetenschapper. Juist dat aspect krijgt nu de meeste aandacht. Edward Grasman, eerder auteur van de biografie van Gerson, noemt zijn studie dan ook een ‘portret van de kunsthistoricus Van Os’ en geen biografie.

Maagd Maria

Van Os (1938) studeerde in Groningen waar hij later hoogleraar werd. In 1969 promoveerde hij op een studie naar voorstellingen van de Maagd Maria in de laatmiddeleeuwse schilderkunst in Siena. Religieuze kunst bleef hem boeien en vormde het onderwerp van een indrukwekkende reeks publicaties en tentoonstellingen. Maar Van Os manifesteerde zich ook op andere gebieden, zoals de laatromantische schilders van het Duitse fin de siècle, en het in 1918 opgerichte Groninger kunstenaarscollectief De Ploeg.

Op basis van een indrukwekkende documentatie aan vakliteratuur, correspondenties en interviews met onder anderen Van Os zelf, schetst Grasman een beeld van deze academische activiteit. Grondig worden het proefschrift en andere boeken behandeld, met een voor niet-ingewijden moeilijk te volgen cascade van namen, jaartallen, en kunstwerken. Wie beter thuis is in de materie leest echter heldere beoordelingen van de inhoud, de receptie en het belang van de publicaties.

Van Os’ hoofdwerk, Sienese Altarpieces dat in 1984 en 1990 in twee delen verscheen, blijkt te oordelen naar de recensies van toen ondergewaardeerd te zijn gebleven. Grasman laat zien dat er achteraf bezien goede redenen zijn het te loven als een baanbrekende studie naar de gebruiksfunctie van religieuze voorstellingen. Achtergronden van Van Os’ wetenschappelijke belangstelling en ontwikkeling worden gezocht in diens vele, vaak internationale, contacten op het vakgebied. Zo veranderde Van Os van een romantische zoeker naar persoonlijke weerklank in de kunst, in een veel zakelijker wetenschapper, na een verblijf als aan het Institute for Advanced Study in het Amerikaanse Princeton.

Op tweederde van het boek komen zowel Van Os als de lezer in een ander vaarwater. De behandeling van het academische werk maakt daar plaats voor meer human interest als Van Os, in 1989, het hoogleraarschap verruilt voor het directoraat van het Amsterdamse Rijksmuseum. Uit die periode stamt een lijstje waarin hij voor zichzelf de voor- en nadelen van de vacature op een rijtje zet. Een van de voordelen die hij met enige zelfironie optekende was de ‘mogelijkheid tot meer glamour in de omgang met mensen met “allure” (hear, hear!)’. En met zijn robuuste postuur liet hij zich gelden, door collega’s die in een vergadering zijn voorganger Simon Levie sarden, toe te voegen: ‘als jullie mij zoiets flikken, krijg je een trap voor je reet.’

Grote publiek

Als directeur stapte hij pas echt de wereld binnen van het grote publiek, als baas van de belangrijkste kunstverzameling van het land, en als presentator van de tv-programma’s Museumschatten en Beeldenstorm. Ook slaagde hij erin een onderwerp als middeleeuwse privédevotie breed aan de man te brengen in de succesvolle expositie Gebed in schoonheid. Na zeven jaar, waarin onder meer een grote Rembrandt-tentoonstelling en de verzelfstandiging van het Rijksmuseum hun beslag kregen, keerde hij terug naar de universiteit, als universiteitshoogleraar aan de UvA.

Grasman karakteriseert zijn hoofdpersoon als enthousiast en energiek, een practical joker en soms een fantast, maar ook als een zoeker naar het spirituele en een familieman die te kampen had met persoonlijke tragedies. De erudiete tekst van het boek kenmerkt zich door een opvallend veelvuldig gebruik van de retorische vraag. Om in stijl te eindigen: het zal samenhangen met het voorlopige karakter van deze biografie die geen biografie wil zijn, dat veel van die vragen nog onbeantwoord blijven.